TER INLEIDING
(uit Het trage vuur
1)
Alles wat er eerst niet was en dan
ineens wel, vraagt om een presentatie, een ritueel dat de overgang van niet
naar wel minder abrupt moet doen lijken. Vrijwel altijd heeft zo’n presentatie de vorm van een rechtvaardiging: het
gepresenteerde heeft pas echt bestaansrecht als het aan een voorafgaande
behoefte beantwoordt. Het trage vuur vormt op deze regel geen uitzondering; in het voorwoord van ons nulnummer
(ook al weer zo=n overgangsritueel) schetsten wij de
schrijnende geestelijke armoede waarin het Nederlandstalige lezerspubliek
verkeert, dat immers al die prachtige Chinese literatuur moet ontberen. Vanuit
de optiek van een ingewijde bezien is deze kenschets ongetwijfeld volkomen
accuraat, maar misschien is het met de Chinese literatuur wel net zo gesteld
als met de tv en de cd: niemand zat er op te wachten, maar nu ze er eenmaal
zijn kunnen we niet meer zonder.
Dit is het eerste reguliere nummer van Het trage vuur (vandaar deze presentatie), en de
tijd zal leren hoeveel er nog zullen volgen. Daarmee is ook meteen een antwoord
gegeven op de vraag waarom het tijdschrift zó heet en niet bijvoorbeeld De
zingende draak, zoals een geïnteresseerde zich meende te herinneren.
De titel Het
trage vuur, in
het Chinees de benaming van een uiterst tijdrovende bereidingswijze voor
bijvoorbeeld berepoot, geeft in de eerste plaats uiting aan een vurige wens,
namelijk dat de vlam van het tijdschrift lang en gestaag moge branden, daarbij
het leven schenkend aan een niet te versmaden gerecht. Maar het karakter voor
‘traag’ betekent ook ‘literatuur’ of
‘literair’, en zo drukt de Chinese term wenhuo precies uit wat wij met Het trage vuur beogen: een bescheiden maar gestaag
Chinees vuur laten branden in de Nederlandse en Vlaamse letteren.
De redactie