VAN PIJNBOOM TOT ASFALTWEG –
EEN VRAAGGESPREK MET LUO QING
Silvia Marijnissen en Martin de Haan
(uit Het trage vuur
4, ‘Made in Taiwan’)
Zowel in Taiwan als daarbuiten heeft u naam gemaakt als schilder,
dichter en kalligraaf. Is er een reden waarom u op die drie terreinen actief
bent? Hoe hangen zij met elkaar samen?
Als kind wilde ik schilder worden, maar mijn leraar zei
dat ik om schilder te worden poëzie moest leren schrijven. En daarvoor moest
ik weer kalligrafie leren... In het begin bekeek ik het dus heel praktisch:
Chinese schilders houden van lege ruimtes om poëzie in te schrijven, omdat
poëzie heel suggestief is en een belangrijke rol in de compositie van het
geheel speelt. En als je toch een gedicht gaat schrijven, kun je dat maar beter
op een mooie manier doen. Zo hangt het allemaal samen.
Maar er is meer...
Later, toen ik me in de Chinese kunst verdiepte,
bestudeerde ik Su Dongpo, die in de tweede helft van de elfde eeuw heeft geschreven
over de samenhang tussen de schilderijen en de poëzie van Wang Wei
(achtste eeuw). Su Dongpo realiseerde zich dat er poëzie in Wangs
schilderijen zit en dat er een schilderij in zijn poëzie zit. Maar dat is
natuurlijk niet zo eenvoudig als het lijkt. Want hoe zit het als je een slechte
schilder bent en je een goede dichter vraagt om iets op je slechte schilderij
te schrijven? Dan weet je nog steeds dat het gedicht goed is en het schilderij
niet. En andersom geldt hetzelfde. Ik dacht: poëzie en schilderkunst
vormen geen garantie voor elkaar, er is iets anders. Daarom formuleerde ik iets
wat Su Dongpo gezegd zou kunnen hebben: poëzie en schilderkunst gebruiken
dezelfde methode. De essentie van poëzie is dat je met een deel het geheel
suggereert. Als een schilder hetzelfde probeert te doen, kun je zeggen dat er
in de poëzie een schilderij zit en dat er in het schilderij poëzie
zit. De poëzie is geen uitleg van het schilderij, en het schilderij is
geen illustratie van de poëzie. Ze zijn onafhankelijk, maar hebben
dezelfde artistieke benadering. Door tegelijkertijd poëzie en
schilderkunst te studeren, heb ik een heel suggestieve, indirecte manier
geleerd om me uit te drukken.
Volgens u hebben de schilderkunst en de poëzie dus
dezelfde methode, maar gebruiken ze verschillende middelen. Hoe werkt dat
precies in de praktijk?
Laat ik een voorbeeld geven, een beroemd voorbeeld over
examens die werden gehouden door keizer Huizong, die kort na Su Dongpo leefde.
De opdracht was een schilderij te maken gebaseerd op een versregel van de
Tang-dichter Wei Yingwu. De oorspronkelijke regel luidt: ‘Ye du wu ren zhou zi heng’, letterlijk:
‘wildernis – veerplaats – geen – mensen – boot
– zelf – drijven’, dus zoiets als: ‘De afgelegen
veerplaats is verlaten en de boot ligt te dobberen.’ De eerste vraag is
natuurlijk: hoe schilder je een afgelegen veerplaats? Je zou een bordje moeten
maken met ‘afgelegen veerplaats’, als een strip! De meeste
deelnemers schilderden een verwilderde, verlaten oever en om te laten zien dat
dit echt ver weg van de stad was. Daarnaast schilderden de meesten een lege
boot. Keizer Huizong bekeek alle schilderijen en stopte uiteindelijk voor
één ervan. De schilder had niet alleen een verlaten oever en een
boot geschilderd, maar ook een veerman in de boot, en aan de andere kant van de
boot een kraanvogel. En op de oever zie je een leeg paviljoen met wat bomen
ernaast. Huizong zei: ‘Dit is een heel goed schilderij, het moet de
eerste prijs krijgen.’
Waarom?
Laat ik eerst de dichtregel uitleggen, die ik heel
suggestief vind. Natuurlijk suggereert die niet dat er vandaag niemand is
gekomen omdat het slecht weer is, dat de zaak dicht is. Of dat de boot stuk is:
het is riskant, dus stap maar niet in! Toen ik deze regel voor het eerst las,
dacht ik: Als er geen mensen zijn, hoef je dat eigenlijk niet te zeggen. Zou
het niet beter zijn om wu ren, niemand, weg te laten? Je krijgt dan een regel van vijf
karakters, wat veel bondiger en compacter is. In de Chinese poëtica
spreken we wel van het oog van een gedicht, dat de essentie van de tekst is. En in
tweede instantie realiseerde ik me dat wu ren dat hier is: alleen als je veel
mensen verwacht en er blijkt niemand te zijn, zul je dat zeggen. Als je een
lezing gaat geven, je gaat de zaal in en er is niemand, dan zul je verbaasd
‘er is niemand’ uitroepen. Maar op de toppen van de Himalaya zul je
het niet zeggen, omdat je daar niemand verwacht. Zo is het ook in het gedicht:
normaal verzamelen zich veel mensen bij de veerplaats, ze kletsen en wachten,
maar vandaag is er niemand. De versregel suggereert dus ‘stilte’.
Nu zijn er verschillende soorten stiltes: als studenten examen doen, hangt er
een gespannen stilte; de stilte in Hitchcocks films is heel broeierig. Maar de
stilte in het gedicht is er een van vrijheid, van op je gemak zijn en van rust.
En dat zit ook in het schilderij? Wat maakt het
schilderij zo bijzonder?
Mijn blik werd allereerst naar het paviljoen getrokken,
dat volgens mij het oog van de Chinese landschapschilderkunst is. Hoe kun je
het idee van ‘niemand’ schilderen? Je moet een object, iets
concreets laten zien om het abstracte idee van ‘niemand’ of
‘niets’ te kunnen uitdrukken. Het beeld van het lege paviljoen, dat
niet in het gedicht zit, is daar heel geschikt voor. De kraanvogel is een ander
belangrijk element, omdat die bang is voor mensen. Staand op de voorsteven
suggereert hij dat die plaats al twee of drie uur lang heel rustig is. Maar het
meest ingenieuze in dit schilderij is de veerman met een fluit in zijn hand. Ik
denk dat keizer Huizong daarom dit schilderij het beste vond: het laat zien dat
de schilder het oog van het gedicht volledig heeft begrepen, want het
suggereert dat de veerman aan muziek denkt en zich dus vrij, op zijn gemak
voelt. Dat verhoogt de subtiliteit van het schilderij.
Maar hoe verhoudt dit alles zich tot uw eigen werk?
Ik heb heel veel geleerd van de traditionele
schilderkunst en poëzie. Zo weet ik door mijn schilderervaring hoe ik de
leegte kan benutten, en dat gebruik ik in mijn poëzie; zoals er
bijvoorbeeld een leegte zit in het gedicht ‘Zes manieren om watermeloen
te eten’. Tot nu toe heeft niemand daar ooit op gewezen – de meeste
poëziecritici lijken niet erg vertrouwd met de schilderesthetiek. Maar die
ervaring is in mijn voordeel, want elke keer als ik vast ben gelopen in de
verbale taal, vind ik een uitweg via de ‘schildertaal’. En
andersom.
Wat is die leegte in ‘Zes manieren om watermeloen
te eten’?
Ik zeg bijvoorbeeld zes manieren, maar ik geef er vijf. Ik
vond het vreemd om precies zes manieren te maken, omdat er een eindeloos aantal
is. En als je er één weglaat, gaat de lezer over de reden daarvan
nadenken; het laat ruimte open om zelf iets te bedenken... Vroeger had men de
neiging om heel coherent te zijn: als je zes gedichten zei, dan waren er ook
zes gedichten. Voor ik ‘Zes manieren om watermeloen te eten’
schreef, dacht ik dat ik alle mogelijkheden van een centraal idee in
één gedicht kon uitputten. Maar ik realiseerde me al snel dat dat
onmogelijk is, iemand anders kan altijd weer iets anders verzinnen. Dus schreef
ik een reeks gedichten, maar liet er één weg, ter compensatie.
Overigens blijft de laatste manier beperkt tot de titel ‘Eet eerst maar
eens, dan praten we daarna verder’. Ik wilde alleen de hoofdrichtingen
van de delen aangeven, en liet ze verder hun eigen weg gaan. In die tijd begon
ik meer gedichtenreeksen te schrijven, gebaseerd op dat idee.
Juist met betrekking tot dit gedicht is het opvallend dat
u de traditionele schilderkunst en poëzie als inspiratiebron noemt, want
de meeste critici wijzen op Wallace Stevens en zeggen dat u door hem
beïnvloed bent.
Ik denk van niet... Het beroemde gedicht van Stevens waar
zij op doelen is ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’. Maar
hij is heel ondubbelzinnig – dertien manieren.
De critici lijken niet te zien dat u één
manier weglaat.
Ja... Ik heb het zelf in verschillende artikelen gezegd,
maar niemand lijkt de moeite te nemen die goed te lezen... Dus als iemand nu
zegt dat ik beïnvloed ben door Wallace Stevens, zeg ik: ‘Ja.’
Ik zeg gewoon ja. En toch... Als omslag voor mijn eerste bundel Manieren om watermeloen te eten heb ik
‘Herfstgedachten’ van de Tang-dichter Du Fu (achtste eeuw)
gebruikt, omdat die cyclus van acht gedichten symbolisch is voor het idee van
de absolute samenhang. Elk gedicht heeft acht regels, en acht maal acht is
vierenzestig; dat komt precies overeen met de hexagrammen van de Yijing, die het hele universum beslaan, de
vier seizoenen, alles! En waarom gebruik ik dat als omslag? Omdat ik daar tegen
ben! Maar de mensen zien dat niet. Ze lezen de titel maar kijken niet verder;
ze zien niet dat ik in mijn poëzie heel consequent probeer dat onontgonnen
terrein te verkennen.
Dus u bedoelt dat het hele idee van poëziereeksen
zoals de ‘Zes manieren’ als een soort parodie gezien moet worden,
een commentaar op de Chinese traditie?
Ja. Bijvoorbeeld, in 1236, toen de druktechniek inmiddels
wijdverbreid was, verscheen het boek Pruimebloesem, geschreven door Song Boren. Hij bestudeerde het
bloeiproces van de pruimebloesem en verdeelde dat in precies honderd stadia! En
vervolgens schreef hij honderd gedichten: het begin, vier, vijf gedichten over
de knop, in bloei enzovoort. Echt ongelofelijk! In zijn studie wordt de natuur
bijna uitgeput. Iemand die na de publicatie van dat boek de pruimebloesem wilde
bestuderen, bestudeerde niet de bloem zelf, maar dat boek. Je kunt alle
mogelijkheden selecteren en combineren. Ergens is dat heel postmodern...
Omdat de reproductie in zekere zin het origineel wordt.
Inderdaad. Dat was dus in de Song-dynastie, en het idee
werd daarna verder ontwikkeld met andere planten, tot uiteindelijk rond 1670
het eerste uitvoerige handboek voor landschapschildering werd gepubliceerd, de Mosterdzaadtuin. Het mosterdzaadje is erg
symbolisch: het is waarschijnlijk het kleinste zaadje dat je kunt vinden, maar
binnenin zit een heel universum. Het handboek leert je een landschap te
schilderen, te beginnen bij één rots, twee rotsen, drie rotsen,
en één boom, twee bomen, vijf verschillende pijnbomen et cetera.
Dat boek heb ik als kind uit mijn hoofd geleerd. Je gaat niet de natuur in om
te schetsen. De natuur is zo naïef! Kijk maar eens naar een echte bamboe –
dat is niets! Hij kent de Yuan- of Song-manier van schilderen niet, het is
gewoon een domme bamboe. Maar door het handboek uit je hoofd te leren, leer je
heel veel verschillende manieren om bamboe te schilderen; je leert een bamboe
te schilderen vol historische kennis, met een culturele erfenis. Dat maakt een
schilderij veel subtieler. Daarom beschouw ik de Mosterdzaadtuin als het eerste woordenboek van de
Chinese schilderkunst: je leert alle woorden en zinnen uit je hoofd, en dan sta
je er alleen voor, dan kun je een compositie maken.
Maar dan gebruikt iedereen hetzelfde vocabulaire, dan
doet iedereen in zekere zin hetzelfde.
Natuurlijk heeft die werkwijze voor- en nadelen. Het
voordeel is dat de kunstenaar zichzelf kan bevrijden van de grammatica van de
natuur, die altijd hetzelfde is: het schilderij krijgt een soort autonomie.
Maar het nadeel is dat elke aanpak, elke techniek uiteindelijk cliché
wordt. Zo denk ik dat tegen het einde van de Qing-dynastie de door de mens
gemaakte grammatica zelf gefixeerd is geraakt.
De kunst is natuur geworden.
Ja. Je schildert een pijnboom, zet er bamboe bij; onder
de bamboe schilder je een paviljoen; in het paviljoen schilder je een oude man,
en waar kijkt de oude man naar? Hij kijkt naar de waterval; halverwege de
waterval hangen wolken – het is altijd hetzelfde repertoire... Die
gefixeerdheid van de Chinese kunst wordt ook heel goed geïllustreerd door
een voorbeeld uit de moderne Chinese literatuur, van de bekende schrijver Lu
Xun en zijn jongere broer Zhou Zuoren. De laatste schreef de volgende anekdote
in zijn memoires. Toen hij klein was, vergezelde hij zijn broer naar diens
privé-leraar. Terwijl zijn broer in de studeerkamer zat, speelde Zhou
Zuoren buiten op de binnenplaats, en hoorde hen soms praten. In de eerste
lessen moest Lu Xun leren een parallellisme te maken. De leraar keek naar de
binnenplaats, zag een rode bloem in een pot en schreef: hong hua, rode bloem, en vroeg Lu Xun
vervolgens om het tegenovergestelde te schrijven, in een parallelle vorm. Lu
Xun keek ook naar buiten, zag een blauwgroene parasolspar, en schreef qing tong. Maar de leraar zette er een groot
kruis doorheen: vanwege de rode bloem had hij lü cao, groen gras, moeten schrijven.
Tegenover het zuivere rood moet een echte groene kleur staan, lü, en gras is het tegenovergestelde
van bloem. Daarna benadrukte de leraar: het belangrijkste van alles is de toon.
Hong is de stijgende toon en hua de hoge vlakke, en lü is de vallende toon en cao de lage duikende; ook de tonen
moesten volledig tegengesteld zijn. Zhou Zuoren vond het erg vreemd, want op de
hele binnenplaats was er geen enkel sprietje gras te zien.
Je moet dus heel strikte regels volgen.
Dat laat de anekdote duidelijk zien. Klassieke
poëzie weerspiegelt geen echte ervaringen: voor retorische perfectie offer
je alles op. Als je eenmaal gewend bent aan die manier van denken, kun je geen
echte gevoelens meer uitdrukken, en ben je niet meer in staat op veranderingen
in de wereld te reageren.
En u? Bent u er gewend aan geraakt?
Toen ik klein was, schilderde ik altijd een ridder met
een groot zwaard die boven op een pijnboom stond. Mijn leraar riep uit:
‘Wat! Dit is vulgair!’ Ik vroeg: ‘Waarom? Ik vind het leuk!
Waarom moet ik altijd die oude man met zijn stok schilderen?’ Een landschap
moet afzondering, sereniteit, meditatie uitdrukken, maar ik was pas dertien!
Wat nou sereniteit... Ik wilde actie! Tijgers en draken waren de reden waarom
ik wilde leren schilderen. Maar na een tijdje wil je graag een draak schilderen
die op een rots klimt, en dan merk je dat een draak gemakkelijk te schilderen
is, maar dat een rots vormloos is en daarom heel moeilijk. Ik denk dat de rots
het meest intrigerende onderdeel is van de Chinese landschapschilderkunst
– het is haast abstracte kunst, omdat je in zekere zin niets schildert en
volledig geobsedeerd raakt door de lineaire beweging, door de puur formele
constructie. En door die constructie laat je je eigen unieke standpunt zien.
Met een tijger is dat onmogelijk, omdat je daarbij vastzit aan zijn uiterlijke
vorm. Als je een tijger schildert, kan iemand commentaar leveren, omdat de
staart te lang is of de neus te groot. Maar kan ik zeggen: ‘Je boom is
een paar centimeter te lang, je had hem korter moeten maken’, of:
‘Je berg is te klein’? Nee! De esthetische voldoening bij het
schilderen van een rots is tien keer zo groot als bij een tijger. Daarom geef
je uiteindelijk de tijger en andere figuren op, en wijd je je volledig aan het
landschap, omdat het vorm heeft maar toch vormloos is – in de landschapschilderkunst
heb je volledig de vrijheid. Waarschijnlijk is dat de reden waarom Chinese
schilders nooit zijn overgegaan op abstracte kunst, omdat de
landschapschilderkunst geheel in die behoefte voorziet, en daarom is dat na
duizend jaar nog altijd de belangrijkste manier om Chinese ideeën uit te
drukken, om je esthetisch uit te drukken.
Maar hoe zit het dan met de echte vorm van het echte
landschap dat je wilt schilderen?
Een Chinese schilder gaat nooit in het echte landschap
zitten schilderen, omdat het resultaat dan puur een formele herhaling is, een
reproductie. Als ik bepaalde bergen wil schilderen, verblijf ik er drie of vier
keer in de loop van een aantal maanden. Daarna ga ik terug naar mijn atelier en
schilder ze. Als je vanaf één punt schildert, kun je misschien
alleen die ene pijnboom zien, maar is het onmogelijk om de waterval te zien, de
vallei en die andere boom. Maar ik schilder wel al die elementen, die ik
symbolisch vind, in één schilderij. En omdat ik die bergen ken,
omdat ik er vriendschap mee heb gesloten, wordt het schilderij in zekere zin
een spiritueel portret van mijzelf. Zo doe ik het. Chinese
landschapschilderingen maak je uit je hoofd, je zet de noodzakelijke beelden
bij elkaar en dan heb je het landschap.
Maar wat is uw positie in dit alles?
Ik wil tegelijkertijd blijven schilderen en poëzie
schrijven omdat ik die kans heb gekregen en omdat ik zie dat ik door mijn
scholing bepaalde voordelen heb. Eigenlijk ben ik heel erg ambitieus... Ik wil
in de voetstappen van mijn voorouders treden. In de Tang-dynastie hadden we
Wang Wei, die een groot dichter en schilder was. In de Song-dynastie was er Su
Dongpo... Tot aan de Qing-dynastie hebben we een lange traditie, en die wil ik
voortzetten. En ik ben zeer goed vertrouwd met het Chinese schilderrepertoire
door mijn twee leraren, de Mantsjoeprins en de monnik.
Een prins en een monnik?
Een Mantsjoeprins heeft mij de traditie van de zogenaamde
Noordelijke school geleerd, en na zijn dood heeft een boeddhistische monnik me
de Zuidelijke school geleerd. Hij is ook degene die me heeft aangemoedigd om
aan kalligrafie te doen. Kalligrafie zie ik als een bemiddeling tussen
poëzie en schilderkunst. Enerzijds is kalligrafie een lineaire beweging:
je gebruikt de welsprekendheid van pure lijnen om jezelf uit te drukken.
Anderzijds ligt de kalligrafische beweging zelf, het ritme, heel dicht bij
poëzie schrijven, en zelfs Chinese opera... Mijn monnik-leraar wilde me
opera leren, omdat de toonvariaties die je daarin ziet, terugkomen in de
kalligrafische lijnen.
Toch lijdt het geen twijfel dat uw werk erg modern is.
Hoe kun je een moderne kunstenaar zijn en tegelijkertijd de traditie
voortzetten?
China heeft zo’n zware schildertraditie dat je je
er moeilijk van los kunt maken. Als je eerst pijnbomen en zo leert schilderen
en dan een motor schildert... dat is belachelijk! Maar het is de
verantwoordelijkheid van de kunstenaar om de gevoeligheid van zijn tijd te
vernieuwen. Wat is die gevoeligheid? Het is het samenvallen van kennis en echte
ervaringen. Op de universiteit gaf ik de traditionele schilderkunst geheel op.
Ik studeerde Engels, Engelse boeken en popart, en dacht: dit is echte kunst,
dit is abstracte schilderkunst; en ik wilde zelf van die collages maken. Eerst
verbaas je natuurlijk je docenten en medestudenten, maar na een tijdje raakt
iedereen eraan gewend. Het probleem met abstracte schilderkunst is dat je na
honderd werken jezelf begint te herhalen.
Hoe hebt u dat probleem opgelost, hoe ging u verder?
Ik realiseerde me dat je met de klassieke Chinese taal
iets nieuws kunt schrijven. Voor het woord ‘maan’, bijvoorbeeld,
gebruik je in het klassiek Chinees altijd een toespeling, zoals chanjuan, omdat het normale woord yueliang te gewoon is. Aan het begin van
deze eeuw waren er mensen die zeiden: ‘We moeten een nieuwe taal maken om
nieuwe dingen uit te drukken; we moeten in de alledaagse spreektaal schrijven
om de ketenen van de oude literaire taal te breken en ons vrij uit te kunnen
drukken.’ Toen begon men het woord yueqiu te gebruiken voor
‘maan’. Yueqiu is
een nieuw idee; yue
verwijst naar de maan en qiu betekent baan, kring of bol. Die twee karakters bestaan
al duizenden jaren, maar vóór de twintigste eeuw zou niemand ze samen
schrijven, ook niet per ongeluk. Ik denk dat dat komt doordat de Chinezen
vóór de twintigste eeuw een klassieke, mythologische
wereldopvatting hadden: de mensen dachten echt dat er een in een pad
omgetoverde vrouw, Chang’e, op de maan woonde. In de twintigste eeuw
kennen de mensen het begrip chanjuan niet meer en moeten ze het opzoeken in een woordenboek.
Zulke termen zijn pure boekenkennis geworden, maar als je chanjuan eenmaal kent en ergens leest, zul
je een plaatje van een klassiek schilderij voor je zien. En wanneer je yueqiu gebruikt, ‘maanbol’,
komt er een modern plaatje op: de echte maan, al dan niet met astronauten.
Dus je kunt bestaande karakters combineren tot een nieuw
woord dat overeenkomt met de nieuwe wereldopvatting.
Het nieuwe woord is niet willekeurig gekozen, maar
gebaseerd op een nieuwe visie. Yueqiu kan pas ontstaan als het concept van het zonnestelsel
bestaat en het beeld van het universum is veranderd. En er is genoeg Chinees om
dat uit te drukken. Aan het begin van deze eeuw waren er dichters die chanjuan te cliché vonden, en het
Franse woord ‘lune’ begonnen te gebruiken om een nieuwe atmosfeer
te creëren. Even is het natuurlijk erg verrassend om plotseling tussen al
die karakters een Frans woord te zien staan, maar de betekenis is hetzelfde en
het effect is snel weg. Het maakt niet uit welk systeem je gebruikt, maar het
nieuwe systeem dat je creëert moet nieuwe ideeën weerspiegelen, een
nieuwe wereldopvatting.
En het moet dus samengesteld zijn uit oude elementen.
Ja. En ik begreep dat ik hetzelfde kon doen in de Chinese
schilderkunst: de Mosterdzaadtuin in een nieuwe context gebruiken. In de jaren zeventig gingen de meeste
schilders net als mijn leraar nog op de traditionele manier verder. Hun
dagelijkse leven deed er niet toe: het maakte ze niet uit dat ze telefoons
gebruikten, bussen, vliegtuigen. Anderen, voornamelijk jongeren, vergaten de
Chinese schilderkunst en probeerden de westerse te leren, waarbij ze zich pas
na een jaar of twintig, dertig realiseerden dat het daarbij niet alleen om
techniek draait, maar dat er een hele geschiedenis bij hoort. Welke traditie je
ook kiest, het is en blijft een traditie. De last wordt niet lichter als je met
olieverf werkt – dan sta je tegenover schilders als Rafaël! Het is altijd
zo dat je binnen een traditie staat en die moet proberen te vernieuwen. Een
techniek leren is gemakkelijk, dat kun je binnen twee weken, maar daar gaat het
niet om... Mensen zijn zo naïef, zo romantisch, ze denken in
één nacht een revolutie te kunnen hebben. Maar kijk eens naar het
Chinese karakter xin,
nieuw. Dat bestaat uit ‘staande boom’ en ‘bijl’, het
betekent dus zoiets als ‘staande boom omhakken’. Aan een omgehakte
boom zullen echter altijd weer nieuwe bladeren groeien. Je kunt niet zeggen:
‘Ik ben dertig jaar lang een appelboom geweest, ik heb er genoeg van. Ik
ga een revolutie beginnen, morgen ga ik over op... papaja’s!’ Dat
gaat tegen de menselijke ervaring in. Dat is het oude idee van xin. Ik ben dan ook erg blij dat ik de
Chinese traditie heb geleerd en dat ik moderne poëzie ben gaan schrijven,
omdat het me in staat heeft gesteld om de Chinese inktschilderkunst te
vernieuwen.
Hoe heeft u dat dan gedaan?
Persoonlijk denk ik dat ik een grote bijdrage heb
geleverd in de jaren zeventig en tachtig en dat ik de traditionele
schilderkunst echt heb veranderd... Je nieuwe taal kun je alleen laten zien
door hem tegenover de oude te stellen. Ik denk dat een moderne schilder nog
steeds pijnbomen kan schilderen, of zelfs moet! Zoals ik nog steeds de Mosterdzaadtuin gebruik, maar op een andere manier.
De asfaltweg, bijvoorbeeld, introduceer ik niet gemakshalve in mijn
schilderijen, omdat we hem elke dag zien, maar omdat hij een symbool is voor
snelheid. En hoe kun je een asfaltweg het beste zien? Vanaf de zesde of zevende
verdieping, of vanuit een vliegtuig. Om de asfaltweg als een nieuw element te
kunnen gebruiken, moet je dus je compositie veranderen, je gezichtspunt, je
techniek; je verandert de hele opzet van het schilderij. Als ik de problemen
van de overgang van een agrarische naar een industriële samenleving ter
discussie wil stellen, zet ik een asfaltweg tegenover een heel traditionele
boom: moderniteit wordt geconfronteerd met het traditionele leven. Die
poëtische aanpak vormt de kern van mijn schilderwijze. En andersom, wat
maakt mijn poëzie anders dan de moderne poëzie die de generaties voor
mij schreven? Dat ik heb geleerd van de klassieke Chinese schilderkunst. De
ideeën van de klassieke Chinese schilderkunst zijn oud, maar getransformeerd
in taal worden ze nieuw. Dat is mijn bijdrage.
Dus uw bijdrage is in essentie een parodistische, in
zowel de serieuze als de niet-serieuze betekenis van het woord.
Ja, omdat ik niet vastzit op één positie.
Ik verander altijd een beetje, en volg de logica van een bepaald vocabulaire om
er de draak mee te steken... Jaren later besefte ik dat ‘Zes manieren om
watermeloen te eten’ daardoor waarschijnlijk het eerste Chinese voorbeeld
van postmodernisme is.
Chinees postmodernisme – dat klinkt tegenstrijdig.
Ik denk dat het komt door mijn ervaringen in Taiwan. Mijn
poëzie weerspiegelt duidelijk de veranderingen in Taiwan van de laatste
veertig jaar. In Europa duurde het proces van industrialisatie en modernisering
tweehonderd jaar, in Taiwan heeft het maar dertig jaar geduurd. Voor we het
wisten, was het computertijdperk begonnen. Mensen doen zaken, ze verkopen
computers, maar het management is nog vroeg-industrieel, met de hele familie
die het bedrijf runt. Dat is de vitaliteit van Taiwan, die mijn poëzie
weerspiegelt. Taiwan is een klein eiland. Sommigen ervaren dat als een nadeel.
Veel van mijn vrienden vinden het zelfs jammer een Taiwanese schrijver te zijn,
omdat schrijvers van het vasteland meer aandacht krijgen. Ik vind dat ze niet
zo moeten denken. Zelf identificeer ik mij met de Chinese cultuur. Dat doe ik
omdat ik zoveel van Sima Qian hou, en van Du Fu en Li Bai. Ik ben trots op hen.
Daarom wil ik Chinees zijn, omdat ik denk dat
ik misschien wel de reïncarnatie van Su Dongpo ben, of zoiets, haha.
Trouwens, in de Chinese geschiedenis zijn er altijd perioden van vereniging en
scheiding geweest. Het maakt niet echt uit: als je een goede dichter bent, ben
je een goede dichter. De scheiding tussen Taiwan en het vasteland duurt pas
veertig jaar, zelfs honderd jaar is nog erg kort. Wij hebben de
verantwoordelijkheid om boven onszelf te staan, om niet alleen onze tijdgenoten
te evenaren, maar ook te proberen onze beroemde voorouders te evenaren.
Dus u ziet de scheiding niet als een nadeel?
Eén voordeel is dat voor het eerst in de
geschiedenis Chinese intellectuelen de mogelijkheid hebben om van buitenaf naar
het vasteland te kijken, in plaats van van binnenuit. Dat is echt uniek. Ten
tweede is er voor het eerst zo’n enorme emigratie van intellectuelen naar
één kleine plaats geweest. In een provincie van het vasteland zou
ik nooit schilderkunst van een Mantsjoeprins hebben kunnen leren, dan had ik
naar Peking moeten gaan. En het zou onmogelijk zijn geweest om zo snel erna
mijn monnik-leraar te vinden. Tegelijkertijd had ik vrij toegang tot de
westerse literatuur... Ik denk niet dat de ervaring van Taiwan een oplossing
biedt, maar zij biedt een andere mogelijkheid. En het is nog steeds Chinese
cultuur. Het is Chinese cultuur op een heel andere manier.
Denkt u dat Taiwan en het vasteland weer
één zullen worden in de toekomst?
Vanuit schrijversoogpunt zou dat heel mooi zijn. Nu
worden er van een poëziebundel drieduizend exemplaren gedrukt; natuurlijk
zou ik er graag twintigduizend willen, wat het geval zou zijn als ik voor heel
China zou schrijven. Iets anders is dat je mensen of culturen niet meer kunt
beoordelen volgens de traditionele geografische grenzen. Want waar is het
centrum? Het netwerk met de meeste informatie is het centrum geworden. Voorheen
moest ik in Taipei werken, maar nu is het mogelijk om op een zeer afgelegen
plaats te werken en toch ‘connected’ te zijn: hoewel je je
verwijdert, kun je toch dichter bij de wereld zijn. Vrienden van mij in New
York komen vaak iets te weten over New York door mijn Taiwanese artikelen. Dat
klinkt belachelijk, maar het is waar. De wereld wordt langzamerhand absurd.
Maar er is nog altijd het politieke conflict.
Het politieke conflict. Daarover kan ik alleen maar
speculeren. In het Chinees heb je een militaire tactiek die letterlijk
betekent: je zwaard laten slepen. Elke keer als je op het punt staat te gaan
vechten, vind je een excuus om het nog even uit te stellen. Als dat het geval
is, is de tijd in ons voordeel, omdat de communistische ideologie steeds minder
strikt wordt. Dus laten we het beste hopen! De loop van de geschiedenis is niet
rationeel te voorspellen. Soms is hij irrationeel. Een ongeluk is snel gebeurd,
en door een muggebeet...
... drukt er iemand op de knop en verandert de
geschiedenis volledig.
Precies. Dus ik werk in Taiwan, en ben bereid mijn
standpunt te geven en ik probeer daarbij zo diep mogelijk te gaan, op een
interessante en humoristische manier. Ik doe mijn best om met mijn eigen
werkwijze zo ver mogelijk in mijn cultuur door te dringen. Dat is wat ik
probeer te doen.
©
Het trage vuur, Leiden/Gent 1998
terug | omhoog