VISSEN, WOORDEN, BLOEMEN – EEN
INTERVIEW MET HAN SHAOGONG
Mark Leenhouts
(uit Het trage vuur 7, april 1999)
[N.B. Woordenboek van
Maqiao
verschijnt najaar 2002 in vertaling bij uitgeverij De Geus.]
Woordenboek van Maqiao is een roman in de vorm van een
woordenboek, een woordenboek van het al dan niet fictieve plaatsje Maqiao
(Paardenbrug) ergens in de Zuid-Chinese provincie Hunan. Hoe is die roman
ontstaan?
In 1988 verhuisde ik van Hunan, waar ik geboren en
getogen ben, naar het zuidelijkste puntje van Zuid-China, het eiland Hainan.
Het plaatselijke dialect kende ik niet en zal ik ook wel nooit leren. Toen ik
op een keer op de markt een vis zag liggen waarvan ik de naam niet wist, vroeg
ik de visverkoper ernaar. ‘Dat is een... eh... vis’, zei hij. Dat
zie ik, zei ik, maar wat voor een vis is het? ‘Een... eh...
zeevis.’ Ik moest lachen en vroeg hem opnieuw: ‘Maar wát
voor een vis is het dan?’ De verkoper keek me met grote ogen aan, werd
een beetje ongeduldig en zei: ‘Een grote vis!’
Toen ik het er achteraf met vrienden over had, kon ik
mijn lachen niet inhouden. Een vissersvolk met niets anders dan de Zuid-Chinese
Zee om zich heen, dat zou op visgebied toch een rijkere woordenschat moeten
hebben. Later ontdekte ik dat dat inderdaad ook zo is: alleen omdat ik als
vreemdeling in het Algemeen Beschaafd Chinees met ze
praatte, werden zij gedwongen zich te beperken tot vaagheden als
‘zeevis’ en ‘grote vis’. Hun taal ligt voor mij in een
duister gebied dat nog niet door de standaardtaal wordt beschenen. In plaats
van te spotten met hun taalarmoede, werd ik door dat voorval aan het denken
gezet. Ikzelf leer al zo lang standaard-Chinees, en ik besef ook dat dat voor
de communicatie in deze moderne tijd een vereiste is. Maar door dat voorval op
de markt realiseerde ik me dat ik helemaal ver-ABC’d ben, en dat mijn
herinneringen aan mijn eigen geboortestreek ook door de standaardtaal zijn
gefilterd. Voor ik het weet kan ik over mijn eigen
streek alleen nog maar praten in simpele en grove termen als
‘zeevis’ en ‘grote vis’.
Woorden zijn levende dingen, ze komen en gaan, duiken
weer op, gaan verbindingen aan met andere woorden, hebben een eigen karakter,
ze kunnen ziek worden en sterven. Al sinds de jaren zeventig heb ik in een
notitieboekje zoveel mogelijk woorden proberen vast te leggen uit het gebied
vlak bij mijn geboortestreek waar ik als jonge Rode Gardist tien jaar lang op
het platteland tewerkgesteld ben geweest. Ik heb geprobeerd de verhalen achter
die woorden te achterhalen. Het resultaat is het Woordenboek van Maqiao,
al had ik lange tijd nog geen duidelijke vorm van het boek voor ogen; maar
sommige woorden doken al weleens eerder in mijn werk op. Ik heb onderzoek naar
die woorden gedaan, er allerlei etymologische en dialectwoordenboeken
bijgehaald, maar sommige dingen bleven onopgeklaard, en een deel van de
aantekeningen bleek later onvolledig, zodat ik voor de roman uiteindelijk ook
het een en ander aan mijn eigen verbeelding heb overgelaten. Ik heb brieven
gekregen van een antropoloog en een taalkundige die me bedankten voor het
aanreiken van nieuwe inzichten; die heb ik dus moeten waarschuwen dat ze het
niet allemaal als wetenschappelijk onderzoek moesten opvatten. Het is een
persoonlijk woordenboek en ik had nooit gedacht dat het bij een groot publiek
zou aanslaan; dat heb ik destijds ook tegen mijn uitgever gezegd, maar hij
kreeg toch gelijk.
Uw interesse als schrijver voor regionale talen en
culturen hebt u midden jaren tachtig al verwoord in een artikel waarin u het
idee van een ‘zoektocht naar de wortels van de Chinese literatuur’
lanceerde, een thema dat tegenwoordig wel als kenmerkend voor een hele stroming
in de hedendaagse Chinese literatuur wordt beschouwd. Wat betekent het zoeken
naar wortels nu, tien jaar later, voor de schrijver Han Shaogong?
Vooropgesteld moet worden, en dat heb ik al vaker gezegd,
dat dat artikel maar een van de vele is die ik heb geschreven, over
uiteenlopende onderwerpen. Dat dat thema in kunstkringen, en daarbuiten, is opgepikt,
is misschien een teken des tijds, maar ik kan er toch moeilijk verantwoordelijk
voor worden gehouden. Zoals ik het nu zie, had de zoektocht naar de wortels van
de Chinese literatuur voornamelijk twee aanleidingen: hij was gekeerd tegen de
politieke roman uit de voorgaande decennia en tevens tegen de imitatie van
Westerse literatuur.
Ik merkte dat veel jonge schrijvers zich uit onvrede met
het socialistisch realisme naar de moderne Westerse
literatuur keerden, en dan niet de Russische, die al veel oudere schrijvers had
beïnvloed (zo noemt X.L. Zhang de Russische literatuur de beste ter
wereld), maar die uit Amerika, Zuid-Amerika en Europa, die op dat moment
eigenlijk net in grote hoeveelheden beschikbaar werd in de Volksrepubliek. Het
resultaat waren vaak oppervlakkige imitaties. Bovendien moet je bedenken dat
die literatuur voor een groot deel in vertalingen werd gelezen (en veelal
haastige, men was gulzig), waardoor sommige Chinese modernistische werken ook
als vertalingen lazen. Ik zag het ook als een soort provinciaal verzet: het
ironische was namelijk dat zij de Chinese mainstream van dat moment, het socialistisch realisme, bestreden met weer een andere
mainstream, want de vertaalde Westerse literatuur was ook de canon, die in het
Westen net zo goed werd bestreden.
Ik stond en sta niet vijandig tegenover die Westerse
invloed, maar ik maakte me alleen druk om de eigen creativiteit van de
hedendaagse Chinese schrijvers. Daarom heb ik gezegd dat we de wortels van de
Chinese literatuur moesten gaan opzoeken. De politiek geëngageerde roman,
waar de ‘modernisten’ en de ‘wortelzoekers’ beiden
vanaf wilden, had al een langere traditie dan onder de Volksrepubliek, die was
al aan het begin van deze eeuw opgekomen. De intellectuelen van die tijd hebben
mijns inziens soms een beetje te radicaal afstand gedaan van veel aspecten van
de Chinese taal en cultuur, ten behoeve van hun missie van de vooruitgang. Zo
werd het zoeken naar de wortels dus bemoeilijkt, maar mijn ontdekking was,
zoals gezegd, dat we niet in het verleden moeten zoeken, maar dat die wortels
op het platteland liggen, bij de minderheidsculturen, buiten de steden, buiten
het bereik van de politieke en culturele revoluties.
Vervolgens zijn er veel misverstanden over de zogenaamde
zoektocht naar de wortels ontstaan. Ten eerste was er natuurlijk de
officiële partijkritiek: de wortels van de Chinese literatuur, die lagen
natuurlijk in Yan’an [1], daar kon toch geen twijfel over bestaan? Een ander punt
van kritiek was dat ik en andere schrijvers met de zoektocht een terugkeer naar
de traditie zouden beogen. Maar zoiets heb ik nooit gezegd. Ik heb in dat
artikel geschreven dat de wortels van de Chinese literatuur in de taal liggen,
en dat bijvoorbeeld in bepaalde dialecten op het platteland van Hunan de taal
van de Zangen van Chu [2], de taal van de oude dichter Qu Yuan [3], nog steeds levend is. De huidige provincie Hunan was
vroeger het gebied van de Chu-cultuur, waaruit de Zangen van Chu
stammen. Ik heb dus niet willen zeggen dat we terug moeten naar de tijd van Qu
Yuan, maar, juist omgekeerd, dat die traditie daar gewoon nog leeft, waar we er
zo bij kunnen, dat ze nog in ons leeft, vaak zonder dat we ons daar bewust van
zijn. Verder pleitte ik juist voor creativiteit: een traditie
kun je niet zomaar behouden, daarmee maak je haar tot een museumstuk, maak je
haar dood; je moet de traditie door creativiteit voortzetten, je kunt tenslotte
niet uit het niets scheppen. Maar ja, uiteindelijk was er het probleem
dat na een tijdje vrijwel alle boeken die over het platteland en
minderhedenculturen gingen wortelliteratuur werden genoemd.
Waarom is juist die Chu-cultuur zo belangrijk voor uw
werk? En hoe hangt dat samen met de taal?
De Chu-cultuur is verspreid over vele minderheidsvolken
in het zuidwesten van China. Die volkeren hebben door de geschiedenis heen vaak
militaire nederlagen geleden en hun cultuur is door de noordelijke
neoconfucianistische cultuur van hun overweldigers altijd ontkend,
gediscrimineerd. Het is daardoor een onorthodoxe cultuur gebleven, die
eigenlijk nooit is gecodificeerd, maar voornamelijk bewaard gebleven onder de
mensen. Het is een halfprimitieve cultuur, waar de religie, filosofie,
wetenschap en kunst nog niet volledig zijn gedifferentieerd. Het rationele en
het instinctieve zijn er met elkaar vermengd. Qu Yuan heeft zich door die
mystiek laten inspireren. Moderne Hunanese schrijvers verdiepen zich er ook in,
vanuit hun verbondenheid met de streek, zoals onder andere Shen Congwen in de
jaren dertig, maar ook tegenwoordig ben ik niet de enige. Ik geloof dat
literair denken niet een zuiver rationele, maar ook een directe of instinctieve
manier van denken is. De rol van het irrationele, van dromen en waanzin in de
moderne kunst en literatuur is een wijdverbreid gegeven. Het komt
waarschijnlijk voort uit het feit dat de moderne mens zich vervreemd
voelt van zijn zelf, van anderen, van de natuur. Ik denk dat mijn interesse
voor het platteland ook te maken heeft met het directe contact tussen mens en
natuur dat je daar hebt. De spanning tussen traditie en moderniteit voel je
daar sterker.
Het opzienbarende voor mij is dat tegenwoordig bepaalde
woorden uit de dagelijkse spreektaal in die zuidelijke gebieden nog
rechtstreeks lijken te stammen uit de verzen van Qu Yuan en ander werk
verzameld in de Zangen van Chu, maar vooral dat er andere gangbare
woorden en uitdrukkingen zijn die die mengeling van rationeel en irrationeel
vertonen. Het taoïsme wordt ook niet voor niets vaak als een zuidelijke
traditie gezien, een meer spiritueel denken dan het noordelijke confucianisme.
Er bestaat al heel lang de uitdrukking ‘confucianist van buiten,
taoïst van binnen’: Qu Yuan was bijvoorbeeld als ambtenaar een
confucianist, maar als dichter toonde hij, zeker nadat zijn carrière
misliep, zijn taoïstische kant, geïnspireerd door de Chu-cultuur. Bij
het taoïsme denken we natuurlijk aan Zhuang Zi, die speelde al graag met
de relativiteit van onze woorden. Hij bracht tegengestelden bij elkaar: groot
is klein bij hem, nuttig is nutteloos, goed is slecht, dood is leven. Zegt
Zhuang Zi niet dat het slecht is om te denken dat je iets goeds hebt gedaan,
dat bewust iets goed doen eigenlijk slecht is? En andersom: weten dat je iets
slechts gedaan hebt, betekent dat je al een maatstaf van ‘goed’
hebt. Dood en leven brengt Zhuang Zi bij elkaar
doordat hij de dood als een terugkeer naar het begin ziet, wat terugkomt in de
uitdrukking gui gen voor sterven, die letterlijk ‘terugkeren naar
je wortels’ betekent. Die betrekkelijkheid, die onbestemdheid van woorden
hoort volgens mij bij het leven. En met Zhuang Zi is het misschien een typisch
aspect van de Chinese culturele traditie geworden. Modernere voorbeelden zijn
er ook, ik denk aan De ware geschiedenis van A Q van Lu Xun, waarin de
hoofdpersoon A Q van alle nederlagen die hij in zijn leven lijdt voor zichzelf
geestelijke overwinningen maakt. In mijn Woordenboek van Maqiao komt een
‘rijke bedelaar’ voor, die in een villa woont en eens per week voor
de vorm bedelt, waardoor de kaderleden tijdens de klassenstrijd niet wisten wat
ze met hem aanmoesten.
In mijn Woordenboek heb ik een lemma gewijd aan de
uitdrukking ‘Kaapse jasmijn, jasmijn’. Die gebruikt men in Maqiao om
aan te geven dat een persoon zowel het een als het ander is. In dat lemma staan
nog meer uitdrukkingen die uiting geven aan die ambiguïteit, zoals:
‘Hij is een eerlijk mens, hij heeft nog nooit een eerlijk woord
gezegd.’ Of: ‘Dat is een goed boek, ik snap er niks van.’
Deze uitdrukkingen kun je vandaag de dag op het platteland van Hunan horen. Ik
geef in mijn boek nog andere voorbeelden: de karakters yuan,
‘begin’, en wan, ‘eind’, worden in het dialect
van Maqiao allebei uitgesproken als ‘wan’, en worden ook door
elkaar gebruikt, waardoor je dus het idee krijgt dat men het daar niet zo nauw
neemt met de tijd. Pas tijdens de Vier Meibeweging aan het begin van deze eeuw
is gepoogd een officiële, ondubbelzinnige
uitspraak vast te leggen, in een periode dus waarin de Chinese intellectuelen
onder sterke invloed stonden van westerse logica. Iets vergelijkbaars is het
feit dat het Chinees geen werkwoordstijden kent, wat ook pas sinds het
doordringen van westerse ideeën bij Chinezen als een gebrek aan tijdsbesef
opgevat kan worden. Waarom zijn dit soort ambiguïteiten in de Chinese taal
zo lang bewaard gebleven? Daarover gaat mijn boek.
Het is niet logisch, zeggen we vanuit de westerse logica.
Maar logica is niet het einde van onze kennis. Er is nog iets daarbuiten,
daarachter. Wat het is, dat weten we niet, maar wel dat er iets is. We kunnen
het gaan opzoeken door te schrijven, denk ik. De roman is er een geëigend
middel voor – waarmee ik niet wil zeggen dat romans er alleen maar voor
dat ene doel zijn. Er zijn ook andere soorten romans, er zijn ook romans die
geen uitdaging stellen aan onze logica, haar niet in twijfel trekken. Maar over
het algemeen houd ik niet van romans waar geen ‘probleem’ in zit.
In het huidige informatietijdperk is er aan levendige verhalen geen gebrek.
Daar hoef ik geen roman voor te lezen. Soms zijn intriges in het echte leven
veel ingewikkelder dan in welke roman dan ook. Van een roman verwacht ik dat
hij een probleem aanpakt, steeds weer nieuwe vraagstukken, die niet met louter
logica zijn uit te leggen.
Hoe zit dat met het Woordenboek van Maqiao? Het is
een roman en een woordenboek: ziet u die woordenboekvorm wellicht als een
bewust opgelegde beperking?
Ik zie die vorm inderdaad als een experiment. In het algemeen geloof ik dat je zonder beperkingen geen
vrijheid kunt hebben, dat er dan geen schoonheid kan bestaan. In de kunst is
het net als in sport en spel. Neem nou een voetbalwedstrijd: als je de
tegenstander weg zou halen, dan zou je pas echt vrij zijn, maar wordt het dan een
mooi spel? Ik geloof niet in het zogenaamde automatische schrijven, daar heb ik
nooit in geloofd. De vrijheid van de schrijver is geen vlucht uit de
werkelijkheid. De beperking van de woordenboekvorm gaf me een enorme vrijheid.
Om in filmterminologie te spreken, ik kon sneller, gemakkelijker, van close-ups
naar vogelperspectieven springen. Maar daarvoor moest ik me natuurlijk wel
houden aan die beperking van het lemma. De woordenboekvorm was een uitdaging:
het is een echt woordenboek, maar toch ook een roman. De uitdaging was
eigenlijk: hoe maak je van die opsomming van lemmata een roman?
Wel?
Allereerst moet ik zeggen dat ik voor mezelf het woord
‘roman’ niet meer zou willen gebruiken. En eigenlijk ook
‘essay’ niet, voor het meer theoretische werk. Ik zou het liever
allemaal met één woord ‘schrijven’ willen noemen. Dat
is omdat ik niet in vaste modellen wil vervallen, die modellen moeten
doorbroken worden. Maar misschien is het ook gewoon omdat dat mij meer ligt. Ik
vind hoe dan ook wel dat de roman bepaalde vaste kenmerken heeft, waarmee hij
zich onderscheidt van theoretisch werk. Ten eerste is de roman typisch verhalend,
ten tweede heeft hij een wat ik zou noemen gevoelsmatige benadering,
waarmee ik bedoel dat de roman meer beheerst wordt door een sfeer van beelden
en gevoelsmatige associaties dan het essay. Alleen deze twee basiselementen
kunnen we behouden, alle andere romanmodellen hebben we wat mij betreft niet
meer nodig.
In de Chinese traditie heb je overigens van oudsher een
soortgelijke tweedeling. Voor alles wat we nu, onder invloed van het Westen,
geschiedschrijving, filosofie en letterkunde noemen, was er in de Oudheid
één begrip: wen, zeg maar ‘opstel’.
Daartegenover stond shi, poëzie. De Zhuangzi is een
voorbeeld van wen: die tekst vinden we nu literair en filosofisch en
religieus tegelijk. Begrippen als essay en roman zijn pas in deze eeuw in China
in zwang geraakt, veel later dan in het Westen, waar de roman begint met Don
Quichot, als ik bijvoorbeeld Kundera erop nalees.
Het zojuist genoemde verhalende element tref je in het Woordenboek van Maqiao duidelijk
aan: al is het dan een woordenboek, je kunt een onmiskenbare lineaire
vertelling aanwijzen. Soms vormen een aantal lemmata bijvoorbeeld eigenlijk
één verhaal, en bepaalde personages duiken door het hele boek
heen op...
Dat is waar, er is wel degelijk sprake van een
verhaallijn, maar dan toch wel heel zwak. Het zijn eigenlijk allemaal kleine
verhaallijntjes. Toen ik met het schrijven van het boek bezig was, had ik het
mooie idee dat de lezer uiteindelijk niet per se bij
het begin hoefde te beginnen, dat hij gewoon die lemmata eruit kon pikken die
hem interessant leken, zoals in een woordenboek, nietwaar. Aanvankelijk wilde
ik de lemmata dan ook zo rangschikken als ze nu in de index staan, op volgorde
van het aantal streepjes van de karakters, wat bij
jullie ‘op alfabet’ zou zijn. Maar dat werd te brokkelig, gezien
het materiaal dat ik had. Ik vond dat ik wel iets meer aan de verwachting van
de lezer tegemoet mocht komen. Misschien moest ik de lezer, die tenslotte bepaalde verwachtingen heeft bij een roman, iets
meer aanknopingspunten geven. Bovendien vond ik het zelf uiteindelijk ook beter
leesbaar met iets van een verhaalontwikkeling.
En wat is precies dat tweede romankenmerk, de gevoelsmatige
benadering?
Gevoel is de drijfveer van de roman. Met de gevoelsmatige
benadering onderscheidt de roman zich van theorie, van het essay. Theorie is er
om iets uit te leggen. Een roman hoeft dat niet. Een roman zoekt juist het punt
op waar niets meer uit te leggen valt. De romanschrijver kan alle
theorieën en uitleggingen gebruiken, maar uiteindelijk komt hij op een
punt waar hij zegt: nu is het niet meer uit te leggen. Iemands aard of
karakter, bijvoorbeeld. In het boek komt het personage Ma Ming voor, een
aartsluilak. Ma Ming doet niets, in het dorp Maqiao doet hij nergens aan mee,
hij heeft alle sociale regels en verantwoordelijkheden verworpen. Maar hij neemt ook niets aan van wat de gemeenschap hem aanbiedt,
voedsel dat hij niet mede verbouwd heeft, bijvoorbeeld; en hij drinkt ook niet
van het water uit de gemeenschappelijke waterput. Ma Ming is dus een
luiaard uit principe. Hij voelt zich een vrij mens, omdat hij geen sociale
verplichtingen heeft. Hij voelt zich eigenlijk een onsterfelijke, shenxian.
Het huis waar hij woont heet in de volksmond ook het
Huis der Onsterfelijken, shenxian fu. Maar dat is spottend bedoeld: het
woord shen van shenxian, ‘onsterfelijke’, kan
namelijk zowel ‘gek’ als ‘genie’ betekenen. Wat Ma Ming
ook van zichzelf vindt, de dorpelingen vinden hem een rare figuur, zijn luiheid
vinden ze decadent. Hoe leg je deze tegenstelling nog verder uit? Hoe kun je Ma
Mings gesteldheid benoemen? Daarin ben ik juist geïnteresseerd, in dat wat
je niet kunt benoemen, geen naam kunt geven – zoals iemands aard of
karakter. Daar komen woordenboek en roman dus heel natuurlijk bij elkaar.
Misschien is dat wel de ziel van het boek.
En daarin verschilt de roman dus ook van het essay?
Men vraagt mij wel vaker waarom ik dan toch nog én
essays én romans schrijf. Ik antwoord dan: In essays heb ik het over
dingen die ik al heb uitgedacht, en mijn romans gaan over dingen waar ik niet
uitkom. En tussen die twee bestaat een verhouding van verzet, strijd en
wantrouwen. Met mijn essays bestrijdt ik mijn romans,
en andersom. Die ambiguïteit van woorden bijvoorbeeld, waar we het net
over hadden, dat kan in een roman bij een spel met louter
ideeën blijven. Maar de mens is een praktisch wezen, hij leeft in de
realiteit, waar keuzen gemaakt moeten worden. Eten of niet eten is geen
dubbelzinnigheid, het is het een of het ander. Daarom neem ik in mijn essays
wel stelling; daar kies ik: dit is waar, en dat niet.
Kunt u daar een voorbeeld van geven?
Bijvoorbeeld het probleem van de modernisering, dat heeft
me altijd erg bezig gehouden. Ik vind dat China moet moderniseren. Armoede,
onwetendheid, onrechtvaardigheid moeten worden
bestreden, gecorrigeerd. In essays zeg ik dat ook. Maar in mijn romans schrijf
ik vaak over hoe traditionele plattelanders heel negatief staan tegenover
moderne dingen. Zie bijvoorbeeld het lemma ‘Wetenschap’, dat gaat
over het feit dat ‘wetenschappelijk’ in Maqiao ‘lui’
betekent, hetgeen alles te maken heeft met die Ma Ming
van daarnet. Waarom doe ik dat? Ik denk dat ik dat uit medeleven doe. Maar
belangrijker is dat een romanschrijver dit soort problemen vanuit verschillende
oogpunten kan bekijken; hij kan verschillende opvattingen of waardeoordelen
tegenover elkaar zetten om juist de niet zo makkelijk
uit te leggen dingen naar voren te laten komen. Dient modernisering wel ergens
voor? vraag ik mij met die personages af. In essays
ben ik ervoor, maar dan praat je over algemene tendensen. In romans belicht je
hetzelfde vanuit het lot van een persoon of van een plaatselijke cultuur, en
dan krijg je een ander verhaal. Is een boer in China nu hij meer geld heeft
echt gelukkiger? En dan zijn er critici die maar blijven zeggen dat Han
Shaogong tegen modernisering is. Die hebben het dus niet goed gelezen. Zij zien
de spanning tussen essay en roman bij mij niet.
Zo bevat het Woordenboek ook veel essayistische uitweidingen over
de taal. In het voorwoord schrijft u dat u met dat boek de verhouding tussen
woord en werkelijkheid nader wilt onderzoeken. Er is bijvoorbeeld het lemma
‘Zoet’, waarin wordt verteld dat men in Maqiao alle smaken
‘zoet’ noemt, en je vraagt je daarbij af: komt dat nu omdat ze zo’n beperkte smaak hebben, of heeft hun beperkte
woordenschat hun smaak beïnvloed? (En dat in China, waar de mensen zo
trots zijn op hun keuken!) Met andere woorden: wat komt er eerst, het woord of
het ding waarnaar het verwijst?
Er zijn gevallen waarin er geen woord lijkt te zijn voor
dingen die er wel zijn, en andersom lijken er soms woorden te zijn voor dingen
die niet bestaan. Een voorbeeld van het eerste geval is het woord
‘zoet’ in Maqiao. In het boek vergelijk ik dat met seks, daarvoor
zijn er in het Chinees naar mijn mening ook maar heel weinig woorden. Daar
steken denk ik meestal sociale of politieke redenen achter. In het geval van seks
ligt dat voor de hand, in het geval van de smaak in Maqiao blijkt dat de mensen
daar vooral buitenlandse dingen over één kam scheren, alles wat
uit den vreemde komt smaakt zoet. Generalisaties van onvertrouwde dingen, dat
lijkt mij een vrij universeel verschijnsel. ‘Kapitalisme’ is ook
een woord dat in China heel veel dingen omvat.
Het geval van woorden die naar niets in de werkelijkheid
lijken te verwijzen is bij uitstek van toepassing op de taal en terminologie
uit de Culturele Revolutie. Voor menige Chinees die na ‘de
Bevrijding’ is geboren, zoals ik, lijken ‘revolutie’ en
‘socialisme’ woorden die bewust door de mens gemaakt zijn en die
het leven van mensen zijn gaan bepalen. Ook het woord voor ‘natie’
in het Chinees is hiervan een voorbeeld. Dat woord is aan het eind van de
vorige eeuw vanuit het Westen overgenomen en is in het Chinees opgebouwd uit de
karakters ‘land, rijk’ en ‘thuis, familie’. Voor iemand
die nu leeft is bijvoorbeeld Jiang Zemin, als baas van het land, dus eigenlijk
zoiets als de vader van de familie. En dat op basis van een woord alleen. In
mijn woordenboek bespreek ik bijvoorbeeld het woord ‘laag’, waarmee
in Maqiao alle seksuele handelingen worden afgedaan. Aangezien dat woord zo’n universele kracht heeft – al het verhevene
wordt doorgaans met hoog geassocieerd en het immorele met laag – vraag ik
me af hoe men, zolang die term wordt gebruikt, ooit zijn vooroordelen, zijn
behoudzucht met betrekking tot seks kan kwijtraken. Woorden hebben een bepaalde
morele waarde en die leer je als kind, en met dat woord leer je de wereld
begrijpen. In veel gevallen vraag je je af: ‘Spreekt de mens de taal, of
spreekt de taal de mens?’
De relatie tussen woorden en dingen heeft ook te maken
met het vraagstuk van taal en macht: wie heeft het voor het zeggen, wiens ‘woorden hebben gewicht’, zoals ze in
Maqiao zeggen, wie bepaalt wat woorden betekenen in een bepaalde gemeenschap?
Ook dat komt in het Woordenboek op verschillende manieren aan de orde.
Neem het lemma ‘Nuchter’: het feit dat ‘nuchter’ in Maqiao
‘dom’ betekent, juist het tegenovergestelde dus, komt volgens mij
voort uit een andere kijk op de geschiedenis, een regionale, marginale versie
ervan, die naast de officiële, centrale versie bestaat. Dat is natuurlijk
maar een vermoeden, ik heb niet de pretentie de waarheid in pacht te hebben,
maar ik ben wel enorm gecharmeerd van de eigenwijsheid van de Maqiao’ers,
die bijvoorbeeld een lokale held een oorlog laten winnen in plaats van de
noordelijke generaal die volgens de geschiedenisboeken hun gebied heeft
onderworpen. Maar definitieve antwoorden op al die vragen zul je in mijn boek
niet vinden – dat bedoel ik met het laten samenkomen van essay en roman.
Is het Woordenboek van Maqiao dan in
zekere zin misschien toch een uitkomst van de zoektocht die bij wijze
van spreken is begonnen bij de taal in dat artikel uit 1985 over de wortels van
de literatuur?
Het lijkt er inderdaad wel op dat ik met het boek iets
tot een einde heb gebracht. En je weet hoe het met zoeken is: er is een oud
verhaal over een man die hoort dat er goud in zijn tuin begraven moet liggen.
Hij zoekt en zoekt, maar vindt geen goud. Alleen, door al het graven is de hele
tuin omgespit en vruchtbaar geworden en heeft de man graan, vruchten en bloemen
geoogst.
Noten
1. De plaats waar Mao in zijn beroemde toespraken van 1942
de partijopvatting van kunst en literatuur uiteenzette.
2. Zie W.L. Idema’s Spiegel van de klassieke
Chinese poëzie, p. 73.
3. Zie p. 86 van dit nummer (lemma ‘Nuchter’).
©
Het trage vuur, Leiden/Gent 1999