TWEE KLEINE VOORDRACHTSTEKSTEN UIT DUNHUANG

Ingeleid en vertaald door W.L. Idema

(uit Het trage vuur 1, oktober 1996)

 

Onder de anonieme spreektaalteksten uit de negende en tiende eeuw die aan het begin van deze eeuw gevonden zijn in Dunhuang in de Chinese provincie Gansu, bevinden zich naast lange prosimetrische, dat wil zeggen in een afwisseling van proza en rijm geschreven balladen over het leven van de Boeddha en zijn discipelen en over helden uit de Chinese geschiedenis ook diverse kortere voordrachtsteksten in verschillende vormen. Terwijl de langere teksten in overeenstemming met hun verheven onderwerp overwegend ernstig van toonzetting zijn, slaan de kortere vaak een lichtere toets aan. Wellicht zijn ze ooit geschreven als komische intermezzo’s voor vertellers.

          Het rijk van de dierfabel wordt in China voornamelijk bevolkt door vogels. Hun wereld kent een bureaucratische organisatie die een afspiegeling is van die van het Chinese keizerrijk. In De namen van de honderd vogels: de protocollaire opstelling van vorst en onderdanen worden rang en stand van alle vogels in deze bureaucratische wereldorde uitgespeld. De tekst is een ornithologisch mijnenveld. Ofschoon de meeste genoemde vogels wel geïdentificeerd kunnen worden, blijven er toch ook de nodige namen over die slechts letterlijk vertaald kunnen worden – of getranscribeerd, omdat de naam een imitatie is van de roep van het dier. De namen van de honderd vogels heeft de in de prosimetrische literatuur gebruikelijke vorm van prozapassages afgewisseld met berijmde tekstgedeelten met een vaste regellengte van zeven syllaben.[1]

          De weerspannige echtgenote heeft de vorm van een fu (dicht). De tekst bestaat uit strofen van verschillende lengte, waarbij de regellengte overwegend vier syllaben dan wel zes syllaben is. De tekst wordt afgesloten met twee shi-gedichten. Het bekendste voorbeeld van deze vorm onder de Dunhuang-manuscripten is de Yanzi fu (Dicht van de zwaluw), over de rechtszaak van de zwaluw tegen de mus. Het thema van de weerspannige echtgenote heeft in de latere spreektaalliteratuur een lange geschiedenis gehad. Onder de teksten in het zogenaamde ‘vrouwenschrift’ uit Jiangyong bevindt zich bijvoorbeeld nog een lange ballade over de luie huisvrouw (zie Vrouwenschrift. Vriendschap, huwelijk en wanhoop van Chinese vrouwen, opgetekend in een eigen schrift, vertaald door W.L. Idema. Amsterdam: Meulenhoff 1996, p. 133–35).[2]

 

[1] Mijn vertaling is gebaseerd op de geannoteerde uitgave van deze tekst in Zhang Hongxun (ann.), Dunhuang jiangchang wenxue zuopin xuanzhu, Lanzhou: Gansu Renmin chubanshe 1987, p. 37–43.

[2] Voor mijn vertaling van De weerspannige echtgenote heb ik gebruik gemaakt van de teksteditie en de aantekeningen van Paul Demiéville, ‘La nouvelle mariée acaciâtre’, in Asia Major NS VII (1959), blz. 59–65.

 

 

De namen van de honderd vogels: de protocollaire opstelling van vorst en onderdanen

 

Het was het einde van de tweede voorjaarsmaand, het begin van de derde lentemaand. De honderd vogels repten zich op hun vleugels door het bos, de vissen flonkerden met hun schubben in het water. De bloemen straalden schitterend, hun kleuren waren helder en fris. De pas ontloken bloesems lachten tegen de zon, bij de voorde rezen de bladeren om de knoppen. In de bergen is de tijger de heerser, onder de vogels is de feniks het hoogst. Op dat tijdstip waren alle vogels gearriveerd en samenkomend als een stortregen, toestromend als wolken stelden zij zich op overeenkomstig het protocol, geheel zoals de vorst en zijn onderdanen.

 

De witte kraan is hoogstpersoonlijk zelf de kanselier,

Patrijzen zijn hier de ministers die getrouw vermanen.

De groene visdief is de censor die op fouten wijst,

De sperwer is als generaal het hoofd der wacht.

          De arend is de commandant der koninklijke garde,

De pauw bewaakt vol trots de poort van het Paleis.

De plasbewaker heeft weer and’re verantwoord’lijkheden,

De treuzelaar is de receptionist voor hofmemories.

          De trekgans is de president van ’t ritenministerie,

De zwaan als astroloog vervaardigt hier de almanak.

De zon-en-maanmus observeert de sterren en planeten,

De roodbekkraai staat op de uitkijk voor begin van brand.

          De Turkse tortel draagt voor buitenlanders zorg,

De oude uil houdt uitkijk naar begin van brand.

Omdat de witstaartsperwer verder geen talenten heeft,

Doet hij de hele dag niets anders dan door dorpen stuiven.

          De langewitstaart, even blank als zilver,

Heeft in de heuvels lange tijd geleefd in zwermen.

Op het bericht dat in het bos de feniks is verschenen

Komen zij allen samen, met hun kind’ren groot en klein.

 

De steppevogels, de wilde ganzen, de zwanen, de trappen, de roodbekeenden, de groene fazanten, de mandarijneenden in paren, paarsgewijze samen vliegend – in opdracht riepen ze [de andere vogels] op en geen waagde het te talmen of te dralen. Daarop arriveerden alle vogels zonder mankeren.

 

De pelikaan heeft brede, platte voeten,

Hij staat altijd op vis te loeren aan de waterkant.

Wanneer de eenden in de verte maar de ransuil zien,

Dan steken zij hun kop in ’t water – en ze zijn onvindbaar!

          De witte papegaai, de rode waterwader –

Die tonen in hun verenkleed de vijf primaire kleuren.

In kleine groepjes staan ze aan de oever van de stroom

En in de zon ziet men van ver hun vleugels van brokaat.

          De snijdervogel wordt door elk bemind

Want op één tak brengt zij haar kind’ren groot.

De pluimen van het riet, de katjes van de wilgen

Verwerkt zij in haar nest met weergaloze vaardigheid.

          De papegaai is een product van streken in het Westen,

Door onderricht kan deze vogel duid’lijk leren praten.

In deze wereld is hij waarlijk zonder weerga

En in een kooi wordt hij geschonken aan de koning.

          De vleermuis is van oorsprong ooit een rat geweest,

Hij heeft geen veren aan zijn lijf, zijn vleugels zijn van vel.

Pas als de schemering gevallen is komt hij naar buiten

Want overdag heeft hij zich nooit gebaad in wind en regen!

          De boeddhabidder en de kruikedrager –

Hij praat de hele dag van wijn, maar zonder iets te kopen.

Fazanten slepen honderd soorten staarten met zich mee,

De kwartel heeft van achteren niet eens het allerminste.

          De stampervogel en de xibibi,

Die vinden van nature hun gemak op hoge takken.

De mus is met één duim in lengte maar zo’n beetje groot

Maar ergert zich aan het gebrek van veren van de uil.

          De vogel die geluk voorspelt is uiterst scherp van geest

En hij verschijnt tussen de rotsen van de Wutaishan:

Zodra hij zich vertoont tussen de kleuren van de wolken,

Wordt hem door alle mensen met een buiging eer bewezen!

          Dan is er de gebloemde duif, zo schitterend van kleur,

Die levenslang het liefste rondstapt op het kloostererf.

De ekster is in ieder huis de beste wichelaar,

Van goede zaken brengt hij van te voren het bericht.

          De zwarte digong en de gele-bloementoren,

Die vliegen heen en vliegen weer tussen de bergen door.

De vink wordt om zijn rode bek door alleman bemind,

De allegoden vliegt alleen waarheen hij ook maar wil.

          De roeper-in-de-kou, die roept nacht in, nacht uit,

De blauwe mus is o zo donkerblauw!

          De kleuren van zijn verenkleed zijn uiterst scherp en helder:

Op het bericht dat in het bos de feniks is verschenen

Komen zij allen naar zijn hof en buigen voor hem neer.

 

Einde.

 

De namen van de honderd vogels, één rol.

 

Eigenhandig afgeschreven door bode Suo Buzi op een dag van de twaalfde maand van het jaar gengyin (810?).

 

De weerspannige echtgenote

 

                   Welnu,

De weerspannige echtgenote

          heeft haar karakter van nature:

Een grote mond, een rappe tong,

          steeds is ze uit op ruzie.

Ze kwelt hun zoon, ze schopt haar man,

          ze scheldt en tiert met groot kabaal,

En wat zijn ouders haar ook zeggen,

          luisteren – nooit van haar leven!

Tekeer gaat zij daar in de keuken:

          de pap gaat om, de soep spat op!

Ze rammelt er met pot en pan,

          ze rammelt er met vat en wok.

Zo woedend lijkt ze een getergde waterbuffel –

          haar lach lijkt op het piepen van een putkatrol!

 

Zoals zij met haar rokken zwaait, haar kont beweegt,

          heeft zij op deze wereld nergens haar gelijke.

Tussen verwanten sticht zij strijd,

          schoonzusters koeioneert ze,

En woedend op haar man z’n moeder

          wil zij altijd het laatste woord.

Ze beukt haar hoofd tegen de grond,

          ze roept de Hemel aan, de Aarde!

Of mokkend ligt ze op haar bed,

          veinst ziek te zijn en staat niet op,

En vraagt haar man haar naar de oorzaak,

          naar wat er misschien is gebeurd,

Dan kan ze hem dat niet verklaren

          en zegt ze slechts: ‘Het komt, het komt

Omdat je ouders mij verwensen,

          behandelen als een slavin!’

‘Het komt alleen

          omdat ze lui is en wil slapen!

Breng haar geen eten en ze staat

          van honger uit zichzelf wel op!’

De moeder zegt dan verder ook nog tot haar zoon:

          ‘We haalden haar in huis te kwader ure!

Wat heeft dat kreng voor ons gedaan

          sinds zij als bruid werd ingehaald?’

Zodra het bruidje dat maar hoort,

          springt zij meteen ook van haar bed:

‘En waarom hadden jullie dan destijds geen klachten,

          toen jullie gretig de verlovingsgiften zonden?

Want jullie hebben mij gehaald,

          dus waarom noem je mij nu wat?

Toen ik nog niet was toegezegd,

          werd elke god om hulp gebeden

Maar nu ik eenmaal binnen ben,

          word ik voor alles uitgemaakt!’

 

De echtgenote eist daarop een scheidingsbrief:

          ‘Verstoot me kerel zodat ik

          een and’re man kan vinden!’

 

Zodra zijn ouders horen zeggen dat ze wel wil scheiden,

          zijn zij verheugd, ja dolgelukkig:

‘We geven jou echt alle kleren uit je uitzet mee

          en maken ook nog eens voor jou een vilten beddedeken!

We bidden je om heen te gaan

          en hopen je hierna ook nooit meer te ontmoeten!’

De bruid neemt afscheid en ze is meteen vertrokken,

          terwijl ze foeterend blijft schelden en blijft tieren:

‘Ik was niet uit op geld en goed, bezit en rijkdom,

          ik wou alleen maar weg bij deze oude spoken!’

 

                   Het bruidje was

Gewend om door het hele dorp

          te gaan en staan waar zij beliefde,

Fatsoen had zij nog nooit geleerd

          en van borduurwerk hield ze niet.

                   Ze ging slechts met

Een bamboemandje in haar handen

          steeds groenten garen langs de akkers.

Tegen de vrouwen van dit soort

          heeft men zich wel in acht te nemen

                   Want echt, beslist,

Een man van stand, een net persoon

          wil met dit soort toch niet verkeren:

Weerspannigheid is aangeboren,

          Je slaat dat van haar levensdagen er niet uit!

Wie ooit nog voor zijn zoon een echtgenote zoekt,

          moet zeker van zijn zaken zijn en niet meteen

          de huwelijksbemiddelaarsters maar geloven!

 

Het gedicht van de schoonmoeder luidt:

 

Een bruidje dat weerspannig is, is veel te hard voor mij

Zodat gevoelens van genegenheid niet kunnen blijken.

Ze luistert niet hoe vaak je haar ook iets verbieden zult

Met als gevolg dat ik door haar tot wanhoop ben gedreven!

 

Het gedicht van de schoondochter luidt:

 

Weerspannig ben ik van nature, zoals ieder weet,

Dus waarom moet mijn man z’n moeder dan zo zitten treuren?

Wanneer je wilt dat ik me onderdanig zou gedragen,

Dan moet je mij ontdoen van honderd lagen dikke huid!

 

terug