OVER HAAST, ONWETENDHEID EN ANDERE DEUGDEN:
DRIE HERVERTALINGEN
Martin de Haan
(uit Het trage vuur
2, april 1997)
Li Xiao,
Shanghai
triade, vert. Truus Boot, Bert Bakker 1996;
Mo Yan, De knoflookliederen, vert. Peter Abelsen, Bert Bakker
1995;
Ding Xiaoqi, Het maagdenhuis, vert. Mirjam Vosmeer en Hanneke
Richard-Nutbey, In de Knipscheer 1996.
Hervertalingen, dat wil zeggen vertalingen via een
‘tussentaal’, zijn ongetwijfeld zo oud als de weg naar Rome.
Sterker nog, het ligt voor de hand te veronderstellen dat de eerste vertalingen
uit een nog niet ontsloten taalgebied altijd via een derde taal plaatsvinden,
eenvoudigweg omdat de kennis voor een rechtstreekse vertaling ontbreekt. Maar
ook wanneer die kennis wel aanwezig is, blijken er, vooral in een klein
taalgebied als het onze, nog voldoende redenen te bestaan om bijvoorbeeld
Chinese boeken te vertalen via het Duits of het Engels. De sporen die de
tussentaal per definitie nalaat lijkt men daarbij voor lief te nemen, om nog
maar te zwijgen over de dubbele kans op vertaalfouten.
Vanuit het oogpunt van een commercieel ingestelde
uitgever valt de keus voor een hervertaling wel te begrijpen. Vertalen uit het
Engels gaat gemiddeld nu eenmaal sneller dan uit het Chinees, de stilistische
en begripsmatige knopen zijn al doorgehakt door de Engelse vertaler, dus je
weet als uitgever waar je aan toe bent, en bovendien zijn er veel meer
vertalers Engels dan vertalers Chinees beschikbaar. Wanneer er een nieuwe film
van bijvoorbeeld Zhang Yimou (bekend van Het
rode korenveld en Raise the red
lantern) uitkomt die gebaseerd is op een Chinees boek, moet er natuurlijk
zo snel mogelijk een zo probleemloos mogelijke Nederlandse editie van dat boek
op de markt worden gebracht – een hervertaling, derhalve.
Het doet er in zo’n geval weinig toe of het boek in
kwestie, ik heb het nu uiteraard over Shanghai triade, de moeite waard is: de foto van
een schaars geklede Gong Li en de vermelding ‘Nu verfilmd door etc.’
worden geacht genoeg lezers te trekken. Die vervolgens bedrogen uitkomen: Zhang
Yimou heeft zijn laatste film Shanghai Triad, toch al niet zijn beste, weliswaar
gebaseerd op dit boek, maar niet na het nodige aan het verhaal te hebben
veranderd. Blijkbaar heeft ook hij beseft dat het Li Xiao’s roman
ontbreekt aan alles waar het genre van de ‘klassieke mafiaroman’,
zoals het boek op de achterflap wordt genoemd, om vraagt: spanning,
broeierigheid en vooral een goede plot. Maar nee, niets van dat al. Op de
eerste bladzijde worden we opgescheept met het naïeve jongetje Shuisheng
(zoiets als Adson in De naam van de roos
– de film, niet het boek) dat zijn intrede doet in het verdorven
Shanghai; de verwachting wordt gewekt dat dit onnozele knaapje zich zal
ontwikkelen tot de ongenaakbare hoofdpersoon, maar nee hoor: Shuisheng
ontwikkelt zich in het geheel niet, ondanks de moorden die hij pleegt blijft
hij even onnozel, en hij blijft een figurant in een verhaal zonder hoofdpersoon
– tot in de epiloog, waar hij toch ineens de Grote Baas blijkt te zijn
geworden. Het kan verkeren.
Eveneens bij uitgeverij Bert Bakker verscheen al eerder De knoflookliederen van Mo Yan, niet toevallig de
auteur van Het rode korenveld, waarop Zhang Yimou’s eerste succesfilm
gebaseerd was. Hier was de commerciële noodzaak voor een hervertaling veel
minder duidelijk, maar niettemin mocht Peter Abelsen aan de bak. Die ziet daar
zelf geen probleem in: in een reactie op een recensie in NRC Handelsblad stelt hij dat je ‘goddank’ geen Chinees
hoeft te kennen om Mo Yan te vertalen. Waar het om gaat is de literaire waarde
van het boek, en die blijft bij een goede hervertaling behouden, aldus Abelsen,
die bij nadere beschouwing zelfs meer blijkt te doen dan dat: hij verplaatst
beschrijvingen omdat ze ergens anders beter uitkomen, vat omslachtige
formuleringen kort samen, laat vreemde elementen weg, kortom: hij vervolmaakt
het boek zoals het ongetwijfeld was bedoeld... Ook los daarvan en van de
talloze slordigheden, die toch weer lijken te duiden op grote haast bij de
productie, vind ik De knoflookliederen niet het meesterwerk waarop ik had
gehoopt. Het thema is sterk: op aansporing van de overheid verbouwen de boeren
van het Paradijsgewest alleen nog maar knoflook, die zij vervolgens aan de
straatstenen niet kwijt kunnen; zij komen in opstand en worden uiteindelijk
ingerekend. Overal liggen hopen knoflook te rotten, het hele boek stinkt ernaar
– heerlijk! Maar de uitwerking van dit gegeven doet af en toe nogal
slordig aan, en afgezien daarvan straalt het boek op geen enkele manier de
beklemmendheid uit van bijvoorbeeld Honderd
jaar eenzaamheid of De ondraaglijke
lichtheid van het bestaan, om me maar tot de titels te beperken waarmee het
op de achterflap wordt vergeleken. De personages zijn en blijven Chinese
boeren, met hun eigenbelang, hun beperkte blikveld en hun woede (die overigens
volkomen terecht is, laat daar geen twijfel over bestaan). Abelsen noemt het
verhaal tragisch, ik zou het eerder triest noemen. En onderhoudend, dat wel.
En dan is er bij In de Knipscheer nog het merkwaardige
boekje Het maagdenhuis van Ding Xiaoqi verschenen,
eveneens een hervertaling (maar waarom in godsnaam, behalve dan omdat precies
hetzelfde bundeltje er in het Engels al lag?). Blijkbaar dacht ook deze kleine
uitgeverij een graantje mee te kunnen pikken van de rage rondom uitgeweken Chinese
intellectuelen, zoals ook De Geus met Feng Chen, Meulenhoff met Hong Ying en
Vassallucci met Lulu Wang. Het stuntelige kalligrafietje (of zeg maar gerust
kakografietje) dat het omslag en de beginbladzijde van elk verhaal ontsiert
doet het ergste vrezen, maar eens te meer blijkt dat ook in de boekenwereld
uiterlijke schijn weleens wil bedriegen: het gezapige, doktersromanachtige
titelverhaal bevestigt de ergste vermoedens nog, maar daarna komt Ding steeds
beter in vorm. Met name de verhalen ‘Moedermoord’, ‘Als je
nog leefde’ en ‘De boze ketel’ getuigen van een volwassen
schrijverschap dat nu eens niet ondergeschikt is gemaakt aan sociale, politieke
of autobiografische factoren. En je moet als lezer wel een extreem dikke huid
hebben om ‘Zwarte kat’, het persoonlijk verslag van een vrouw met
een fobie voor katten die op een kat moet passen, te kunnen lezen zonder te
gruwen. Kortom, het is te hopen dat Ding Xiaoqi nog vaker van zich zal doen
horen, maar dan liefst wel in een wat verzorgder uitgegeven boek (het toppunt:
een voetnoot midden in een woord!), en in een rechtstreekse vertaling uit het
Chinees. Dan duurt het maar wat langer...