DE BIBLIOTHEKEN IN, DE ANTIQUARIATEN AF: DE GROTE DRIE
VAN DE JAREN DERTIG
Mark Leenhouts
(uit Het trage vuur
3, oktober 1997)
Mao Tun (Mao Dun), Schemering over
Sjanghai.
Uit het Chineesch bewerkt door Dr. F. Kuhn en J.L.J.F. Ezerman. Den Haag: J.
Philip Kruseman, z.j. (1939);
Lao She, De riksjarenner. Vertaling en nawoord Daan
Bronkhorst. Amsterdam: Meulenhoff 1979;
Pa Tjin (Ba Jin), Familie. Vertaald uit het Frans naar de
oorspr. Chinese uitg. door Willem Croon en Tineke Hoosemans. Amsterdam/Brussel:
Manteau, 1986.
In onze snelle maatschappij gaat alle aandacht uit naar
het nieuwste van het nieuwste, ook op boekgebied. Oudere boeken raken hierdoor
gauw in de vergetelheid. Het trage vuur zal daarom voortaan regelmatig oudere
Nederlandse vertalingen van Chinese literatuur voor u opdiepen en bespreken.
Ba Jin, Lao She en Mao Dun: in China worden ze in
één adem genoemd als de drie grootste romanciers van de jaren
dertig. Het is dus mooi dat van elk van deze heren een invloedrijk werk in
Nederlandse vertaling is verschenen. Deze vertalingen, die respectievelijk
tien, twintig en zestig jaar geleden zijn gemaakt, zult u echter niet meer in
de boekhandel vinden, maar gelukkig zijn er ook nog bibliotheken en
antiquariaten. Waarom het tot nu toe maar bij één werk van elk
van deze grote drie is gebleven, daarover worden we in dit stukje, onder
andere, misschien wat wijzer.
De jaren dertig zijn een begrip in de Chinese
literatuurgeschiedenis. Onder druk van de snel veranderende samenleving, de
politieke strijd (tussen de Nationalisten en de Communisten) en de oorlog
(tegen Japan) voelden veel schrijvers zich geroepen een sterk engagement in hun
werken aan de dag te leggen. De drie onderhavige schrijvers hebben allemaal
geworsteld met de moeilijkheid hun artistieke onafhankelijkheid met hun
maatschappelijke betrokkenheid te verenigen.
Mao Dun (1896–1981) heeft de oplossing voor dit probleem
gezocht in met name de naturalistische literatuurtheorieën van Zola. Met
zijn roman Ziye (letterlijk
‘Middernacht’, maar ook vertaald als ‘De schemering’) uit 1933 heeft hij een volledig beeld willen
geven van zijn tijd en zijn stad Shanghai. Alle facetten van het grootsteedse
leven moesten erin aan bod komen, en het is bekend dat Mao Dun er grondig onderzoek
voor heeft verricht; zo ging hij zelf de beursvloer op, en in politieke kringen
was hij, als Chinees intellectueel in die tijd, vast ook geen vreemde. De roman
schijnt bovendien vol verwijzingen te zitten naar bestaande personen en
gebeurtenissen. Voor een niet ingewijde en zeker voor een buitenlandse lezer
zit er dan al gauw weinig anders op dan de roman als een historisch document te
lezen. De flaptekst van Schemering over Sjanghai, de Nederlandse vertaling uit 1939
(!), prijst het boek ook precies daarom aan: ‘... een boeienden roman,
die ons het werkelijke, tegenwoordige
Sjanghai met de oogen van een Chinees
laat zien.’ (En gebeurt dit in de jaren negentig eigenlijk niet nog
steeds zo, als we kijken naar de vele bestsellende waargebeurde relazen van
Chinese auteurs?) Mao Dun heeft het overigens, gezien zijn openlijk beleden
streven naar een objectieve realistische weergave (‘het niet mooier maken
dan het is’) waarschijnlijk ook niet anders gewild.
De stedelijke milieus die Mao Dun tegen elkaar afzet zijn
dat van de grote industriëlen en beursspeculanten aan de ene kant en aan
de andere kant dat van de fabrieksarbeiders, die onder leiding van
communistische organisaties in opstand komen. De hoofdpersoon, de industrieel
Wu Sunfu, komt door zijn onervarenheid met het opkomende speculeren op de beurs
en door het dreigende communistische verzet ten val. Zowel deze hoofdpersoon
als de ontelbare andere personages die de roman bevolken komen door de
kaleidoskopische opzet echter slecht uit de verf. Wel levert Mao Duns aanpak
enkele geslaagde, amusante karikaturen op, zoals die van de corrupte landheer
van de oude stempel, die er niet voor terugdeinst om zijn eigen dochter het bed
in te sturen met een van de grote jongens van de beurs om voor haar vader de gouden
tip te bemachtigen. Maar de typeringen van de decadente boven- en de armoedige
onderklasse blijven vlak. Dat kun je eigenlijk ook zeggen van Wu Sunfu. Zijn
lot is niet eens tragisch te noemen: hij verliest een hoop geld en daarmee zijn
machtige positie in de gecommercialiseerde stad, en dat is het dan – in
zijn toestand heeft zelfs de getalenteerde Mao Dun zich blijkbaar niet
voldoende kunnen inleven.
Ik onderstreepte daarnet al het jaartal – 1939: we
hebben hier te maken met de eerste Nederlandse vertaling van een moderne
Chinese roman. Dat hebben wij vooral te danken aan het werk van een markante
oosterbuur, Franz Kuhn. Deze Duitse sinoloog heeft aan het begin van de eeuw
lang in China gewoond en hij verdiende zijn brood met het vertalen van Chinese
literatuur. Hij heeft een aanzienlijke lijst van voornamelijk klassieke
literatuur op zijn naam staan (onder ander Der
Traum der roten Kammer), en hij waagde zich in 1938 met Schanghai im Zwielicht voor het eerst op
eigentijds gebied. De Nederlander J.L.J.F. Ezerman, van wie mij slechts enkele
publicaties op het gebied van de sinologie bekend zijn, bewerkte deze vertaling
voor ons tot Schemering over Sjanghai. Het boek heeft twee herdrukken
beleefd, in 1940 en 1952–3, hetgeen wijst op een zekere populariteit.
Kuhns reputatie als vertaler is een dubbelzinnige.
Enerzijds wordt hij geprezen om zijn onschatbare bijdrage aan de verbreiding
van de Chinese literatuur in zijn taal (en via zijn taal in andere talen),
anderzijds heeft men nogal wat kritiek gehad op zijn wel zeer
‘vrije’ manier van vertalen. Kuhn heeft zijn rol voornamelijk
gezien in het introduceren van een onbekende cultuur; hij schrok daarom niet
terug voor het naar zijn hand zetten van de betrokken teksten. Dat geldt ook
voor zijn bewerking van Mao Duns roman. Hij heeft vele passages samengevat,
enkele hoofdstukken omgegooid en ze bovendien van titels voorzien: waar Mao Dun
ze gewoon doornummert, onderscheiden Kuhn en Ezerman ze bijvoorbeeld als
‘Voorspel. Een man uit den goeden ouden tijd komt te Shanghai en begrijpt
de wereld niet meer’, ‘Eerste boek’ en
‘Tusschenspel’.
Ezerman heeft Kuhns vertaling getrouw gevolgd. Het lijkt
er niet op dat hij het Chinees er nog eens op heeft nageslagen, want hij heeft ook
de vertaalfouten laten staan. Hij valt zelfs een keertje door de mand door een
advocaat Herbst op te voeren, waardoor de Nederlandse lezer bijna gaat denken
dat er een Duitser in het Shanghai van de jaren dertig is opgedoken – wat
wel mogelijk is, maar op grond van het Chinees niet zo blijkt te zijn. Wel
voegt Ezerman er hier en daar in een voetnoot een sinologisch weetje aan toe.
Net als in het Duits is het einde van het verhaal overigens anders dan in het
Chinees. Daar waar Mao Dun de hoofdpersoon Wu Sunfu aan het eind duidelijk
verslagen achterlaat, kijkt dezelfde Wu in het Duits en Nederlands hoopvol uit
naar een ‘nieuw leven’. Het blijkt hier te gaan om een concessie
van Kuhn om zijn boek tijdens het nazi-regime uitgegeven te krijgen.
Ba Jin (geb. 1904) is een andere literaire reus van deze eeuw;
vandaag de dag nog wordt hij geëerd als bijzonder hoofdredacteur van een
toonaangevend literair tijdschrift. De enige roman die we van hem in het
Nederlands kunnen lezen (naast het korte verhaal ‘De generaal’ in Het trage vuur 2) is Familie uit 1931, in 1986 vertaald op basis
van de in 1977 verschenen Franse vertaling. Het is het eerste deel van Ba Jins
trilogie Jiliu (Stroomversnelling),
later aangevuld met de delen Chun
(Lente; 1938) en Qiu (Herfst; 1940). Het
thema van Familie is de opstand van de jeugd tegen de
oudere generatie. Ba Jin somt in veertig hoofdstukken allerlei voorbeelden van
de verwoestende invloed van de traditie op, waarbij vooral het conflict tussen
opgelegde huwelijken en de wens tot vrije liefde voor veel drama zorgt. De
tranen rollen over de bladzijden – ook letterlijk overigens, als we de
auteur mogen geloven, toen hij het boek aan het schrijven was. En de auteur
presteert het om een bladzijdenlange monoloog op te nemen die louter bestaat
uit clichés als ‘ik ben een speelbal van het lot’, ‘ik
ben een lafaard’, ‘ik haat mezelf’ – waarop ‘vol
vuur’ getroost wordt met ‘je moet tegen de omgeving vechten; de
omgeving overwinnen betekent in een harde strijd het geluk veroveren.’
Dat klinkt misschien wat oneerbiedig. Ik wil graag
aannemen dat dit thema en het sentimentalisme waarmee het gepaard gaat in het
China van die tijd voor personen als Ba Jin authentiek waren – en in de
jaren negentig nog steeds, gezien de niet afgenomen populariteit van het boek
in China. Maar op strikt literair niveau stoort het mij dat Ba Jin de lezer de
conflicten niet zelf laat beleven, maar er meteen een stempel opdrukt –
ofwel breed uitgemeten verdriet, ofwel boos commentaar. Slechts af en toe weet
hij het absurde bijgeloof van de ouden tot zijn recht te laten komen, zoals in
de scène waarin een geestenuitdrijver alle kamers van het grote huis
langs moet omdat de oude heer ziek is, en de jongste broer in protest zijn
kamerdeur weigert open te doen. Dan heeft de schrijver geen lege
commentaardialogen tussen de angry young
men nodig als: ‘Wat vind je er werkelijk van?’ –
‘Niets!’ – ‘Het is flauwekul!’
Het boek is grotendeels gebaseerd op Ba Jins ervaringen
met zijn eigen familie. Veel lezers hebben hem herkend in de jongste telg van
de romanfamilie; de kokette auteur pleegt dit halfzacht te ontkennen, terwijl
hij voor andere personages desgevraagd wel het origineel vermeldt. Ook al zegt
hij de personen achter de personages door en door te kennen (omdat hij immers
negentien jaar onder een dak met ze heeft gewoond), in het boek komen zij over
als eendimensionale figuren, die in dienst lijken te staan van een reeds van te
voren ingenomen standpunt. De personages die de machtige traditie uitbeelden
zijn slecht, de jongeren, slachtoffer of rebel, zijn goed. En de goeien zijn zo
goeiig en zo kameraderig dat ze ongeloofwaardig worden. Het lijkt alsof Ba Jin
toen hij Familie schreef – een twintiger was
hij nog – nog steeds verblind was door dit thema uit zijn jeugd.
Het vertalen van Chinese literatuur is in de jaren
tachtig inmiddels wel wat anders dan het introduceren en bewerken van voor de
oorlog. Het Franse vertaalduo heeft het origineel gerespecteerd en zelfs af en
toe de auteur geraadpleegd. Eén ongelukkige beslissing hebben ze
genomen: om de verwarring weg te nemen die de (in transcriptie) op elkaar
lijkende Chinese namen kunnen veroorzaken, hebben ze de voornamen van de
personages vertaald. Dat heeft een onbedoeld komisch en op den duur irriterend
effect. Als de jongste broer, Ontwaken van de Kennis, de tafelschikking bij een
diner in zich opneemt, staat er, slaafs overgenomen in het Nederlands:
‘Links zaten zijn nichtje Citer en zijn schoonzuster Li Dubbele Jade van
het Goede Voorteken, aan de deurzijde zijn oudste broer Ontwaken van het Nieuwe
en zijn zuster Zuivere Bloem.’ Om nog maar te zwijgen van zijn oom
Bewaarder van de Welwillendheid en vriend Zwaard in de Wolken. Ik zal u de
dialogen met deze namen besparen.
De Nederlandse vertaling laat over het algemeen te wensen
over: de zinnen lopen vaak slecht, ze zijn soms zelfs grammaticaal fout. De
woordkeus is ook wisselvallig en mist vaak net de plank: klimt er een jongeling
in een boom, roept het dienstmeisje: ‘Nee, nee, veronderstel dat u valt!
Dat zou afschuwelijk zijn!’ Dit draagt allemaal niet bij aan de
waardering voor Ba Jin, en dat is zonde, want in een verhaal als ‘De
generaal’ blijkt dat hij tot beter in staat is.
Lao She (1898–1966) was, krijg ik de indruk, een schrijver
die nog meer dan Mao Dun en Ba Jin balanceerde tussen zijn artistieke
integriteit en zijn sociale engagement. Zijn boek Luotuo Xiangzi is in 1936–37 in afleveringen in een
tijdschrift verschenen en in 1979 in het Nederlands vertaald als De riksjarenner. Het gaat over de riksjaloper Xiangzi met de bijnaam
Kameel (waarom zal ik niet verklappen), die ernaar streeft door zuinigheid en
hard werken zijn eigen riksja te kunnen kopen en daarmee eigen baas te zijn.
Alleen wordt hij door samenloop van omstandigheden en achteraf gezien verkeerde
beslissingen steeds in zijn ambitie gefrustreerd. Xiangzi’s fatsoen gaat
er hoe langer hoe meer onder lijden en de eens zo trotse jonge knul raakt
uiteindelijk aan lager wal.
Er is getwist over de boodschap die Lao She met deze
roman zou hebben gehad. De simpele riksjaloper is het slachtoffer van de
keiharde nieuwe Chinese maatschappij, zeggen sommigen. Xiangzi is het
slachtoffer van zijn eigen individualisme, volgens anderen: Lao She zou hiermee
een oproep doen tot collectieve actie, als antwoord op de misère van het
Chinese volk, en daarmee zou deze roman een voorbode zijn van zijn latere
communistische propagandastukken.
Wat mij opvalt is dat deze boodschap pas aan het einde
van het boek wordt verwoord en de lezer bovendien enigszins verrast. Eerder in
het verhaal geeft Lao She slechts op enkele momenten blijk van sociale
betrokkenheid, en al die keren ervoer ik dat als een kleine stijlbreuk. De
gedachtenwereld van de personages, de eenvoudige mijmeringen van Xiangzi
bijvoorbeeld, worden soms ‘ruw’ onderbroken door een veel
hoogdravender vertellerstoon. Deze passages willen Xiangzi’s toestand in
het grotere kader plaatsen van de algehele armoede van die tijd, door een
beschrijving van de volkswijk waar hij woont bijvoorbeeld. Er galmen dan ook
ineens gemeenplaatsen als ‘de wereld is niet rechtvaardig’. De
bedoeling was waarschijnlijk om dit sociale commentaar subtiel te vervlechten
met Xiangzi’s gemoedstoestand, maar juist door die stijlbreuk mist die
ingreep zijn effect en wordt de ellende van de personages er niet aangrijpender
door.
Nee, Lao She is op zijn best als hij zich met zijn
personages laat meeslepen. Xiangzi mag gerust om de tien bladzijden zijn centen
tellen (waren het bij Ba Jin de tranen die over de bladzijden rolden, hier zijn
het de geldstukken); Lao She mag ons gerust uitleggen hoe het met de
verschillende typen riksjalopers in het Peking van die tijd zit, en bij welk
type Xiangzi dan hoort – als hij maar bij zijn personages blijft, en er
geen superieure houding tegenover aanneemt. In vergelijking met Mao Dun en Ba
Jin treden er in De riksjarenner echte mensen van vlees en bloed op.
Lao She had me af en toe op het puntje van mijn stoel. Als de riksjakoelie
wederom een goede dienstbetrekking afwijst en koppig voor zijn zelfstandigheid
kiest, roept Lao She ware poppenkastemoties op: ‘Xiangzi, doe dat nou
niet! Ga nou terug naar die aardige werkgever!’ Ook in
sfeerbeschrijvingen, die maar blijven uitdijen, bereikt hij dat effect: als op
een pagina de nacht invalt, ziet de lezer aan het einde van die bladzijde geen
hand voor ogen meer.
Was Schemering over Sjanghai van Mao Dun de eerste moderne
Chinese roman die in het Nederlands te lezen viel, De riksjarenner was de eerste die rechtstreeks uit
het Chinees in het Nederlands werd vertaald. En hij leest nog goed ook. Een
aanmerking die je kunt hebben is dat de vertaler, Daan Bronkhorst, het net als
Kuhn bij uitdrukkingen en spreektaal weleens mis heeft, en dat terwijl Lao She
zo graag het Pekingdialect bezigde. Net als bij Kuhns vertaling van Mao Dun was
er overigens iets vreemds aan de hand met het einde van De riksjarenner. Maarten ’t Hart verbaasde het in een recensie
namelijk dat vertaler Bronkhorst het einde zo pessimistisch had gemaakt.
’t Hart had de Engelse vertaling Rickshaw
Boy van Evan King uit 1946 gelezen, en daarin vindt Xiangzi aan het einde
inderdaad samen met zijn geliefde het geluk. Maar dankzij de vertaling Rickshaw uit 1979 weten de Engelsen nu
ook dat King net zo vrij met de tekst omsprong als Kuhn – nog vrijer
zelfs, want King verzon er maar liefst twee nieuwe personages bij.
Nee, deze manier van vertalen van literatuur uit een
vreemde cultuur is er in ons land tegenwoordig niet echt meer bij, al komen
‘verfraaiende’ hervertalingen als die van Peter Abelsen in de buurt
(zie het vorige nummer van Het trage vuur).
Wat de keuze van de teksten betreft: Lao, Mao en Ba zijn grote schrijvers in
hun land, maar, zoals we gezien hebben, ze worden elders minder om hun
artistieke dan om hun documentaire waarde gelezen (al geldt dat voor Lao She
wellicht in wat mindere mate). Ze hadden hun tijd tegen, luidt de historische
verklaring, of verdediging. Zeker hebben deze auteurs ondanks hun engagement
blijk van kunstenaarsschap gegeven. Maar dat neemt niet weg dat vertalers en
uitgevers Chinese romans ook eens meer op hun literaire merites zouden kunnen
uitkiezen.