TWEE GEDICHTEN

Yu Jian

Vertaling Jan De Meyer

(uit Het trage vuur 3, oktober 1997)

 

in holland naar de zee kijken

 

bij grijs weer     vertelde ik de hollander maghiel van crevel

dat ik nog nooit de zee had gezien     maghiel zei     ik breng je d’r wel heen

we namen de bus     en reden door de rode stad

 

ik verheugde me erop dat de gebouwen eindelijk gingen verdwijnen

we reden waarlijk op een weg die naar de zee voerde

ik had me voorgesteld dat de weg desolaat en wild zou zijn

dat we op zeker ogenblik zouden stoppen

en te voet verder moesten door een oeroude wildernis

en plotseling zouden we haar zien     de zee     ‘hee!’

 

we lieten de stad achter ons     om onze tocht voort te zetten tussen rode villa na rode villa

maghiel zei     tussen deze huizen liepen oorspronkelijk helemaal geen wegen     hier ging je te voet

nu kan dat enkel nog naast de weg     in elk huis kun je het geluid van voertuigen horen

maghiel zei ook nog     in mijn land     vind je geen plaatsen meer waar geen straten zijn

ik zag dat zelfs weiden en boerderijen     allemaal door cementen banen waren verbonden

ik zag dat alle stukken grasland     na zorgvuldig ontwerp     even vlak waren bijgeknipt

ik zag hoe tussen de wegen windmolens verspreid lagen     don quichot en sancho panza kreeg ik evenwel niet te zien

 

de bus stopte     maghiel zei     we zijn er

vanaf de treeplank van de bus zag ik haar

daar onder aan de weg     oh     de zee

hier hield de weg op     niets kon hier nog verder voeren naar de zee

dat grote grijze levende wezen

gebulder van golven     oeroude geluiden

geen kracht die haar kan bijknippen

geen intelligentie die haar kan ontwerpen

 

het uitspansel was grijs     de kust was grijs

bus en weg waren grijs

maghiel was grijs     ik was grijs

want de zee was grijs

 

de hollander maghiel van crevel     nazaat van piraten     zei

laat me een foto van je maken     reeds was hij aan het scherpstellen

dit was nu een van die grote dingen die ik me in mijn leven had voorgenomen zeker te doen

een mens die voor de eerste maal de zee heeft gezien     met de rug naar de zee in holland

die in de houding gaat staan     in de lens kijkt     met maar één gedachte in zijn hoofd

als die foto nou maar wat wordt

 

12 november 1995

 

 

bezoek aan de kathedraal

 

oh!     daar is een kathedraal     denk ik luidop     met een kreet

de verbazing van een barbaar     zal in de straten van Gent

wel niemand begrijpen     waarover wind ik me eigenlijk op

het is geen zondag     ik weet niet of dit het gepaste tijdstip is

niemand gaat ernaartoe     drukte moet je richting     winkelcentrum zoeken

maar ik moet erheen     mijn tijdschema verschilt van dat van god     ik moet opschieten

niet om te gaan bidden     maar om toerist te zijn     om even een blik te gaan werpen

op een echte kathedraal     meer niet

wat baart mij meer zorgen     in een vreemd land     dan een kathedraal?

in gedichten     kom ik er frequent tegen

maar daar     zijn steevast horden bewonderaars verzameld

hopen adjectieven     belemmeren mijn zicht op de kathedraal zelf

 

is dit dus het gerechtshof aller gerechtshoven?     het toneel van het laatste oordeel?

is dit het paleis waarvoor de duivels beven?

in elk geval is de buitenkant     niet zo ernstig als wordt beweerd     niet zo overweldigend

oh     de verblijfplaats van goden     zo ontroerend gebouwd     waarop lijkt ze?

een marmeren zanger     met een lang grijswit gewaad om de schouders

een harp in de hand     die op straat wandelend     zingt

‘de kathedraal werd in de wind gebouwd...’

waarop lijkt ze?     puntige vormen als van vlammen

maar met een ijskoude kern     zonder de arrogantie om zaken tot ontbranding te brengen

een vluchtige kennismaking volstaat     om voor altijd blootgesteld te zijn aan de marteling haar nogmaals te willen aanschouwen

waarop lijkt ze?     een bureauklok     een omhulsel dat alle wisselvalligheden van het leven heeft meegemaakt

een toevluchtsoord voor de tijd     daar

zijn in onbruik geraakte dogma’s     dag en nacht voorwerp van verering

opeenvolgende revoluties     stonden machteloos tegenover haar

 

misschien     heb ik als chinees    geen erfzonde     en is het mij daarom     toegestaan

om met ongebreideld wijd opengesperde ogen     dit oude gebouw in te schatten

buitengewoon is het zeker     het staat in een hoek van de stad

iets onzichtbaars     straalt ervan af

en doet alle omliggende gebouwen     tot op veilige afstand terugwijken

 

ziezo ik ben er     in het kielzog van een stuk of wat corpulente toeristen     buitenlandse kleine middenstanders

een schoenmaker uit brugge     een visser uit osaka

een keukenmeid en een bakker uit groesië     een portier van een middelbare school uit londen

ik vind het vreemd     dat in zo’n beroemde toeristische trekpleister     de toegang gratis is

dit is het vrijgevigste gebouw van de hele stad

gratis     verschaft het de ziel onderdak

 

een hand duwt     de zware poort open     geeft haar door aan een andere hand     eenmaal binnen aangekomen

gaan al die zelfzuchtige opvattingen en persoonlijke overwegingen afkomstig uit verschillende soorten bijgeloof

eensklaps     onwillekeurig     in nabootsing van de anderen     een kruisteken maken

bijlange niet allen zijn geloofsgenoten     maar ze hadden wel allemaal in hun geheugen geprent dat ze hierheen moesten komen

allemaal bang om in de drukte     iets van groter belang te verwaarlozen

ze zijn niet erg gelovig     maar opzettelijk negeren durven ze ook niet

je weet maar nooit of er niet echt iemand bestaat     iemand zonder tempel

goeie maatjes met de gastheer hier     die zich in het geheim     om alles druk maakt

 

binnen     lijkt het een opslagkamer     schaars verlicht door kaarsen     zonder elektriciteit

een muffe geur afgevend     houden ze zich in duisternis aan oude gewoontes

wat een verschil     met buiten waar het     gescheiden door één enkele muur     volgeparkeerd staat met personenwagens

het lijkt wel of christus     een verbannen kluizenaar is geworden

oude stoelen met afbladderend vernis     ouderwetse meubelen     bestoft textiel

krakende gang     je krijgt de indruk     teruggekeerd te zijn naar het oude huis van je grootmoeder

maar een geschikte behuizing voor gewone mensen is het hier nooit geweest     vergaan

is de glorie van vergane dagen     de glans weggebrand     een atmosfeer die uitermate geschikt is

om te blijven dienen     wat er altijd al was

 

zwakke lichtstralen     dringen door het gekleurde tafereel op barok glas

net voldoende voor het oog     om het onderscheid te kunnen maken tussen     mensen en goden     sacrale en wereldlijke voorwerpen

buitenlanders met een passie voor literatuur     zijn allang goed vertrouwd     met een grot     gericht naar een stralende bergtop

van beneden tot boven     van de laagstgeplaatste rat     tot de hoogstgeplaatste spin     niveau na niveau

is alles gericht naar die nog hogere     die nooit meer verschenene     omhoog starend

zoals vanouds is hij de voorloper van diegenen die reikhalzend     uitzien naar alles wat zich verheft

zoals ik van tevoren al wist     spreidt hij zijn armen uit     aan het kruis genageld

deze lijdende man     is een houten pop     ingesmeerd met goudverf

hij ontroert me     geenszins meer     dan de kathedraal zelf

 

ik heb het meer     op het woud der pilaren

ik heb het meer op het gewelf dat     verborgen boven de duisternis     het uitspansel ondersteunt

het is een eenvoudig dak     dat sacrale aangelegenheden die niet langer van deze tijd zijn     in bescherming neemt

ik staar omhoog     en voel me als een baby     in een moederlichaam

mijn opengesperde lammerogen     zien hele rijen     volmaakt ronde borsten

ik heb het meer op die     stenen figuren die in de rondte staan tussen de pilaren

naar het schijnt     heeft elk van hen     een bijzonder curriculum vitae     veel te snel afgelopen     bezaaid met hindernissen die allemaal werden overwonnen

maar in de ogen van de vreemdeling die ik ben     zijn deze mannen weinig meer dan     een stel middeleeuwse buitenlanders

oh     gevoelloze steen     wie was het     die je de temperatuur van je huid bezorgde     de plooien van je mouw

die je de onuitstaanbaar vulgaire gelaatsuitdrukking gaf     van een plaatselijke bewoner     op een avondlijk huwelijksfeest

wat voor een ambachtsman was het     die dergelijk handwerk schiep

zelfs indien de meester     diegene daar is die zijn gezicht verborgen houdt     dan zou ik me toch nog willen bekeren

want degene die door de ambachtsman wordt vereerd     zal ik vereren

 

de biechtstoelen staan naast de gang     ik had dit al eens in een film gezien

iemand knielde daar     gescheiden door een zwart stuk stof     deed hij fluisterend zijn verhaal     aan de persoon in het geheime kamertje

uit nieuwsgierigheid naar de zonde     spitste ik mijn oren     zonder er evenwel iets van te begrijpen

ook ik heb verschillende geheimen die ik aan niemand kwijt kan     maar die ik toch zou willen opbiechten

met inbegrip van dit minuscule vergrijpje     ik kwam naar de kathedraal

niet om god eer te bewijzen     maar gewoon om ‘er es geweest te zijn’     en om wat foto’s te maken

die vormen dan een kapitaal om mee te pronken     bij de bijgelovige     boerenkinkels uit mijn geboortestreek

maar dit is een kathedraal van mensen     een priester van mensen     een god van mensen

waar zouden mensen     de tijd vandaan halen

om een vreemde taal te leren     om zo andermans geklets te kunnen verstaan?

 

natuurlijk     hoorde ik     toen ik wegging klokgelui

het was tegelijk aanwezig in alle oren     het klokgelui van de kathedraal

werd verspreid door de galmgaten van de kathedraal     in de belgische stad gent

op een namiddag in de herfst     in een zwaarbewolkte donkere hemel     weerklonk het

net zoals alle andere mensen op straat

hoorde ik het     maar bleef er niet voor stilstaan

wij moesten voor de regendruppels neerkwamen     onze paraplu’s openvouwen

 

31 december 1995

 

 

terug