‘ZIJ WIER BEIDE VOETEN GEAMPUTEERD ZIJN, ZIJN NIET ERG AAN HUN SCHOENEN GEHECHT’

Jan A.M. De Meyer

(uit Het trage vuur 5, september 1998)

 

Zhuang Zi, De innerlijke geschriften. Vertaling Kristofer Schipper. Amsterdam: Meulenhoff 1997. ISBN 90-290-5619-3, 166 blz., prijs f 39,90 / Bfr 798.

 

Toen in 1973 Thomas Pynchons magistrale Gravity’s Rainbow verscheen, schreef een criticus van de New York Times: ‘If I were banished to the moon tomorrow and could take only five books along, this would be one of them.’ Op een gelijkaardige wijze kijk ik tegen het boek Zhuangzi aan, dat samen met Laozi’s Daode jing de basis vormt van de taoïstische filosofie. In tegenstelling tot die Daode jing, die reeds meer dan driehonderd zestig maal werd vertaald, waaronder zevenentwintig maal in het Nederlands, was de Zhuangzi nog nooit rechtstreeks uit het Chinees in het Nederlands vertaald. Kristofer Schipper, hier vooral bekend door zijn in 1988 verschenen Tao: de levende religie van China, heeft daar nu verandering in gebracht. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet om een vertaling van de volledige Zhuangzi, maar alleen van de eerste zeven hoofdstukken, de zogenaam De innerlijke geschriften, die het oudste (vierde eeuw v.Chr.) en meest authentieke deel van het boek vormen. De vertaling van de zesentwintig overige hoofdstukken, de Uiterlijke en de Gemengde Geschriften, zal volgende winter verschijnen.

          De Zhuangzi is een heerlijk boek. Dat komt vooral door de levenshouding die het boek uitademt, een levenshouding die diep doordrongen is van een verregaand relativisme en die graag de draak steekt met alle uitingen van conventionele moraal. Zoals dat bij alle grote kunst het geval is, is de vorm waarin het geheel is gegoten onlosmakelijk verbonden met de inhoud of boodschap. De hoogst individuele taal die in de Zhuangzi wordt gehanteerd, weerspiegelt zowel de onvoorspelbaarheid als de geestelijke rijkdom van de makers. Makers, want de Zhuangzi is in zijn huidige vorm beslist niet het werk van één mens. De innerlijke geschriften mogen dan misschien grotendeels het werk zijn van de historische Zhuang Zhou (over wie slechts weinig met zekerheid bekend is), een aantal van de Uiterlijke en de Gemengde Geschriften zijn dat duidelijk niet – wat die hoofdstukken overigens niet minder boeiend maakt. Onderzoek heeft aangetoond dat ook De innerlijke geschriften niet vrij zijn van later geïnterpoleerde passages. Formeel is de Zhuangzi allesbehalve eenvormig. Lange filosofische argumentaties worden afgewisseld met bijzonder fantasierijke parabels, anekdoten en even korte als rake beschouwingen.

          Kenmerkend voor de Zhuangzi, en hierin verschilt het werk van het leeuwendeel van de andere Chinese filosofen, is de humor waarvan het boek doortrokken is. Deze humor weerspiegelt zich onder meer in de namen van de personen die ons hun wijsheid verkondigen. In de geschriften der confucianisten, mohisten en legalisten zal men vergeefs zoeken naar wezens als Gedrochtelijke Debiel, Lippenloos de Mismaakte met de Bochel of Kropgezwel als een Waterkruik. In geen ander boek wordt zo luchthartig geschreven over misvormingen, ziekte en dood. De enige Chinese levensbeschouwing die qua humor kan concurreren met het taoïsme is het zenboeddhisme, dat niet toevallig diepgaand door de Zhuangzi werd beïnvloed. De taoïstische humor, die een partiële verklaring biedt voor de populariteit van dit toch bijzonder onconventionele werk, betekent echter niet dat de Zhuangzi diepgang mist. Integendeel. ‘Het denken van Meester Zhuang’, stelt Schipper terecht in zijn inleiding, ‘is vaak buitengewoon moeilijk te volgen, althans voor ons arme kinderen van het avondland.’ Wat te denken van de volgende uitspraak uit het vijfde hoofdstuk: ‘Wanneer men niet vergeet wat vergeten is, en tevens vergeet wat niet vergeten is, dan kan men zeggen dat het Vergeten waarlijk verwezenlijkt is.’ Vaak bevat de tekst meerdere betekenislagen, waarvan al in de eerste zin van het boek een mooi voorbeeld wordt gegeven. Schrijfstijl en taalgebruik wijken nogal eens af van het nette klassieke Chinees van confucianisten als Mencius. Voeg daarbij dat de tekst heeft geleden onder vele eeuwen van niet altijd even voorzichtige overlevering, en je hebt een verklaring waarom goede vertalingen zo schaars zijn.

          Kristofer Schipper is naast hoogleraar in de sinologie ook opgeleid tot taoïstisch meester, en dat merk je aan deze Zhuangzi-vertaling. Zijn no-nonsense-aanpak blijkt heel duidelijk uit de bijzonder verhelderende inleiding. Wat opvalt aan de vertaling is dat ze heel trouw blijft aan het origineel. Er worden geen pogingen gedaan om de tekst mooier te maken dan hij is, ook niet op plaatsen waar hij in slechte staat is overgeleverd. Waar de tekst zo corrupt of onbegrijpelijk is geworden dat vertalen giswerk wordt, wordt dit eerlijkheidshalve steeds in een voetnoot vermeld. Voetnoten worden door velen als overbodig ervaren, of als struikelstenen bij de lectuur. In dit boek zijn ze echter broodnodig. De tekst is immers vaak zo duister dat hij extra toelichting verdient. Verder is het notenapparaat bij dit boek een geschikte plaats om te wijzen op in het oog springende overeenkomsten tussen de vierentwintig eeuwen oude tekst en latere ontwikkelingen binnen de taoïstische religie of de dagelijkse praktijk.

          Schipper vertaalt dus vrij letterlijk, en dat leidt soms tot zinsconstructies die enigszins verwijderd zijn van wat gangbaar is in hedendaags Nederlands. Dergelijke letterlijke vertalingen zijn echter meestal wel gerechtvaardigd, want een ‘vlottere’ vertaling zou vaak betekenen dat een dimensie van het origineel verdwijnt. Sommige lezers zullen misschien de wenkbrauwen fronsen bij de soms archaïserende woordenschat, bijvoorbeeld wanneer het gaat over ‘het pijpen der mensen’. Het is voor een hedendaagse lezer vrijwel onmogelijk om hierbij niet aan orale seks te denken, maar toch is dit de beste vertaling. Een conventionelere vertaling als ‘zingen’ of ‘fluiten’ dekt niet de hele lading van het origineel. Schippers jarenlange vertrouwdheid met de Zhuangzi stelt hem ook in staat om de wisselende schrijfstijlen op de voet te volgen. De Zhuangzi lijkt dan wel geschreven in doorlopend proza, hij bevat ook talrijke dichterlijke passages, die een aangepaste vertaalstijl vragen.

          Het redactiewerk bij Meulenhoff is niet altijd even rigoureus gedaan. Hier en daar ontbreekt een woord, of er staat ‘nog’ in plaats van ‘noch’, of je ontmoet een bizarre zin als ‘zo worden ze betrokken met wat ze ook in aanraking komen’. Deze schoonheidsfoutjes zijn spijtig, want de Zhuangzi kan in al zijn wijsheid en artistieke rijkdom een metgezel en inspiratiebron voor het leven zijn, en zoiets wil je natuurlijk liefst zo foutloos mogelijk.

 

 

terug