SHORBULAK - HET VERHAAL VAN EEN VRACHTWAGENCHAUFFEUR

X.L. Zhang

Vertaling Anne Sytske Keijzer

(uit Het trage vuur 8, september 1999)

 

...

          Ga nou niet zitten knikkebollen. Op die lange ritten heb ik er een hekel aan als mijn meerijder in slaap valt. Knikkebollen is besmettelijk.

          Rook er eentje van mij. U rookt niet? Een schrijver die niet rookt? Ik rook wel, hoor. In grote steden mag je onder het rijden niet roken, maar hier bij ons kun je doen wat je wilt. Anders zou het ook wel te saai worden, zo in je eentje in de cabine. Het is hier niet als bij ons in het oosten, zodra je op pad gaat zie je duizend mijl lang nog geen dorp, nog geen huis, je rijdt maar en je rijdt maar, en zo vallen je oogleden haast onwillekeurig dicht.

          Kijk, aan weerszijden niets dan kiezelstenen. Die noemen ze nou gobi. Je stelde je die gobi waarschijnlijk eerst voor als een uitgestrekte zandwoestijn, maar dat is niet per se waar. Wat je hier ziet zover het oog reikt, zijn deze stenen, zo groot als ganzeneieren, zo groot als een hoofd of een vuist. Na dit stuk met alleen maar stenen zitten we zo in de bergen. Het Tian-gebergte hier is ook al anders dan je in films ziet. In dit stuk hier bestaat het uit gladde stenen, alsof ze uit ijzer zijn gesmeed. We gaan langs de Droge Geul de bergen in. Droge Geul, wat vind je nou van zo’n naam? Er staat niet alleen geen water in die geul, je tranen verdampen al voordat ze je oogkassen uit zijn gestroomd; er groeit geen gras, geen bomen, er zijn zelfs geen vogels of mieren, het is alsof je op de maan zit. U kunt het zo zien. Als je daar de hele dag rijdt, is het niet gek als je gaat knikkebollen. Het is maar goed dat u er vandaag bij bent, zo’n verslaggever, dan kunnen we mooi wat praten.

          U bent zeker al op heel wat plekken geweest? Maar als je niet naar Xinjiang bent geweest, besef je niet hoe groot ons land is. De Oeigoeren zeggen vaak dat in Xinjiang zelfs bedelaars nog op een ezel rijden. Ze moeten wel, anders zouden ze van de honger omkomen voor ze het volgende dorp hadden bereikt. Dat gezegde mag dan wel op de oude maatschappij slaan, het is toch heel beeldend.

          Als ik rijd vind ik het prettig iemand mee te nemen. Soms kom ik onderweg iemand tegen die de benenwagen genomen heeft, dan neem ik altijd even gas terug om te zien of hij niet toevallig een lift wil. Je snapt, in deze uitgestrekte, verlaten steenwoestijn, met vóór je grimmige, hoge bergen, en aan weerszijden een hemel met laaghangende wolken, als je dan iemand ziet die moederziel alleen op zo’n soort weg loopt te hijgen en te puffen, dan voel je zowel medelijden als bewondering voor hem. Als je in de auto zit, merk je het niet zo, maar op de weg voel je wel hoe het is om over zo’n lange weg stap voor stap op je beide benen voort te moeten ploeteren.

          Als ik iemand meeneem, is hij niet meer alleen en ben ik niet meer alleen. Wij vrachtwagenchauffeurs, wij hebben meer contact met machines dan met mensen. Als je onderweg een bekende tegenkomt, is de wagen alweer voorbij gezoefd voordat je naar elkaar hebt kunnen lachen. En machines zijn nog erger dan beesten. Vroeger heb ik thuis wel muilezels gedreven, en zo’n ezel mag dan koppig zijn, hij heeft wel een verstand. Als je je verveelt kun je nog even met hem praten. Hij wappert dan zo’n beetje met zijn oren, net alsof hij heel goed begrijpt wat je aan het zeggen bent. Een vrachtwagen leeft niet – als hij dat wel deed, zou je in de problemen zitten – en als je lange tijd met zo’n ding doorbrengt, voel je een ongrijpbare eenzaamheid en verveling. Daarom houden wij vrachtwagenchauffeurs ervan om bij elke stop uit te stappen en te praten, te lachen en wat te bekvechten. Het is geen echte ruzie, meer dat je oefent in het spreken. Mensen moeten met mensen zijn.

          Een paar jaar terug kwam er bij ons team een leider die ons ten strengste verbood passagiers mee te nemen. Hij had het erover dat de Amerikaanse imperialisten op de Koreaanse slagvelden heel veel Zuid-Koreaanse vrouwelijke spionnen hadden ingezet, die door zielig te doen op de auto’s van het vrijwilligersleger werden gehesen en dan de chauffeurs neerstaken. Hoe lang is dat wel niet geleden! Ik kan daar niet tegen. Wij hebben zo van die ambtenaren die ervan houden dingen uit de oorlogstijd naar een vreedzame omgeving over te hevelen om je er de stuipen mee op het lijf te jagen. Zo’n ambtenaar hoeft nog niet eens zelf op het slagveld te zijn geweest. Mensen die hebben gevochten en geleden, leven altijd met anderen mee. Maar later nam hij altijd smokkelwaar mee in ruil voor sigaretten en drank, en toen hebben ze hem ontslagen.

          Iemand een lift geven stelt eigenlijk niets voor. Hij zwaait, jij stopt, hij stapt in, dat gaat allemaal in een oogwenk, en dan denkt hij bij zichzelf: Er zijn toch veel goede mensen in ons land! En jij, zodra je zijn lachende gezicht ziet, jij voelt je dan ook warm worden, je rijdt met meer energie en je voelt je niet meer moe. Ik ben eigenlijk niet zo’n prater, zolang er maar iemand naast me zit, voel ik me niet meer alleen. Het is dat ik u vandaag ben tegengekomen, dat ik wat meer zeg dan anders. Ik ga graag om met intellectuelen.

          Hoe ik in Xinjiang terecht ben gekomen? Dat is een lang verhaal. Eigenlijk ben ik een jongen met een stadse opleiding, die naar het platteland is teruggegaan. Aan mijn accent kun je horen dat ik uit Henan kom. In het district waar ik vandaan kom heb ik drie jaar middelbare school afgemaakt. Toen zat ik vol idealen. Als ik in een film een soldaat zag, wilde ik soldaat worden, zag ik een dokter, dan wilde ik dokter worden, zag ik een boek, dan wilde ik schrijver worden. Ik heb overal wel over nagedacht, maar ik had nooit kunnen bedenken dat ik later mijn hele leven vrachtwagenchauffeur zou zijn. In de derde van de middelbare school heb ik nog een gedicht op de muurkrant geschreven. Twee regels gingen zo:

 

Mijn idealen zijn als de ontelbare sterren aan de hemel,

          Die op mijn hoofd neerstralen.

 

Niet slecht? Lach me niet uit. Ik was toen pas zeventien en de leraar zei ook dat ik voor een boerenkinkel heel wat talent en gevoel had en dat ik het later beslist ver zou schoppen.

          Wie had kunnen denken dat onze familie in 1960 in moeilijkheden zou komen en mijn ouders onvoldoende te eten zouden hebben? Dus wilde deze ‘boerenkinkel die het nog ver zou schoppen’ ook niet meer studeren en keerde ik maar snel naar huis terug om voor mijn ouders te zorgen. Maar toen ik daar was, kwamen we met ons drieën zowat om van de honger. Ik was enig kind, en die twee oudjes huilden daar samen en zeiden tegen me: ‘Jongen, ga maar weg. Ga er maar opuit om iets te zoeken om je in te leven te houden. Je hebt negen jaar geleerd, je kunt vast overal aan de slag.’ Wij Henanezen zijn overlevers, van oudsher zijn wij het die er het meest opuit trekken en de wereld doorkruisen. Gebeurt er thuis een ramp, dan zetten we het op een lopen en gaan we naar een andere provincie. In die tijd ontvingen we thuis een brief van een kennis die naar Xinjiang was gegaan, waarin stond dat Xinjiang een goede plek was en dat je er niet alleen werk kon vinden, maar dat je er ook voldoende eten had. Ik had nog een andere indruk van Xinjiang, namelijk door dat liedje dat we op school hadden geleerd: ‘Ons Xinjiang is een goede plek.’ Zo kwam ik op het idee naar Xinjiang te gaan.

          In die tijd was het systeem van woonvergunningen nog heel strikt geregeld. Bij de grote wegen in het dorp waren overal leuzen geverfd over het oppakken van avonturiers. Je huis verlaten was net zoiets als rover worden. We wachtten een nacht zonder maan af om weg te gaan. Mijn vader bracht me tien mijl op weg, tot buiten het land van de commune, en kon toen niet meer. Gehurkt zat hij alleen nog maar aan de kant van de weg te hijgen. Uit mijn bagage viste ik de twee maïskoeken die moeder daar stiekem in had verstopt en stopte die weer stiekem in zijn borstzak. ‘Vader, ga maar terug’, zei ik. ‘Ik ken de weg, ik heb een kaart bij me. Als ik daar ben aangekomen en werk heb, zal ik u een postwissel sturen.’

          Jongeren hechten niet aan huis, ook al hebben ze honger, hun vleugels zijn sterk en het enige waar ze aan denken is die uit te slaan en ver weg te vliegen. Ik liet geen traan, was er heilig van overtuigd dat er een grootse toekomst voor me weggelegd was, en maakte me er geen voorstelling van hoe mijn ouders zich toen voelden. Dat kan ik nu pas, nu ik zelf ouder aan het worden ben. Maar als je me nu zou vragen wat mijn vader en moeders laatste woorden waren, en hoe ze eruitzagen, dat kan ik me allemaal niet meer herinneren. Ik herinner me alleen die zwarte schaduw van mijn vader die aan de kant van de weg hurkte. Vroeger als ik moederziel alleen door de nacht reed, doemde die zwarte schaduw altijd voor me op, precies in het schijnsel van mijn koplampen. Die zwarte schaduw kleefde als de sticker van mijn vervoersvergunning aan de voorruit, waar ik ook heen ging, hij was er met geen mogelijkheid af te krijgen.

          Soms pleitte ik mezelf ook vrij door te denken dat als mijn moeder me die avond had weggebracht, wij misschien wel een paar hartelijke woorden gewisseld zouden hebben aan de kant van de weg. Mijn vader was een zwijgzame boer en ikzelf was een jonge knul die zijn mond niet graag open deed, een zoon heeft tenslotte ook nooit zo’n band met zijn vader als met zijn moeder... Ach, zo zorgden mijn ouders achttien jaar voor me en toen het tijd was om uiteen te gaan, wist ik niets hartelijks tegen mijn vader en moeder te zeggen...

          Nou, laat ik maar verder vertellen.

          Zo ben ik hier gekomen. Dat jaar was de spoorlijn net aangelegd tot Weiya. Weiya zelf zag er wel heel anders uit dan nu. Destijds waren er alleen maar een stuk of tien vervallen lemen huizen, die midden in de woestijn waren gebouwd. Om de lemen gebouwen heen waren tenten neergezet, net als wanneer de Mongolen hun Naadam-feest vieren, zo stonden die tenten daar bij elkaar, wel zes rijen dik. Weiya was de eindhalte van de trein, en alle mensen die naar Xinjiang kwamen stroomden erheen. Hoewel ze in bussen onophoudelijk westwaarts werden vervoerd, voerden de treinen ze ook onophoudelijk vanuit het oosten aan, zo gingen de in het rood gekleden weg en kwamen de in het groen gekleden, mannen en vrouwen, ze drongen en duwden; tussen die tenten liepen vaak enkele duizenden mensen, die de zuiver witte sneeuw vertrapten tot een vieze, zwarte brij.

          Wat voor mensen kwamen er zoal? Je had er die officieel overgeplaatst waren, bijvoorbeeld mensen die na hun afstuderen hierheen waren gestuurd, of die waren gekomen toen de fabrieken waar ze werkten hierheen werden verplaatst, maar het merendeel bestond uit de zogeheten ‘avonturiers’ die men toen wilde oppakken, dat wil zeggen de mensen die men later vrije jongens ging noemen. Nu zijn er allemaal mooie termen om ons mee aan te duiden, zoals ‘vrijwilligers voor de grensgebieden’. Dat is een soort rehabilitatie. Om je de waarheid te zeggen, dat Xinjiang nu zover is opgebouwd, is toch voor een groot deel te danken aan die vrije jongens of vrijwilligers voor de grensgebieden. Nu ken ik van de mensen die hier toen verzeild zijn geraakt er heel wat die modelarbeider zijn geworden, hun bijdrage hebben geleverd en een beloning gekregen hebben. Sommigen waren uitvinders en zijn nu specialisten en ingenieurs, anderen zijn aan de leiding komen te staan van productie- en opbouweenheden van het leger.

          Wij vrije jongens waren meteen dikke vrienden met elkaar, als we maar net bij elkaar waren, leek het alsof we elkaar al een half leven kenden, en in een paar woorden wisselden we de gegevens waarover we beschikten uit. Die tenten in Weiya deden eigenlijk dienst als arbeidsbureaus voor productie- en opbouweenheden van het leger, werkeenheden en fabrieken. De mensen die zij wierven waren natuurlijk avonturiers zonder baan zoals ik. Weiya was destijds één grote vrijmarkt, en de sfeer van bedrijvigheid was vergelijkbaar met de Nanjingstraat in Shanghai. Hier riepen ze: ‘Hé! Hé! Kom hierheen! Bij ons heb je hoge lonen en veel eten! Het is nu of nooit!’ Daar riepen ze: ‘Hé! Hé! Kom hierheen! Bij ons drink je melk als water, de appels zijn zo groot als je hoofd! Het zal je nog spijten als je niet bij ons komt!’ Weer anderen maakten het helemaal bont: ‘Hé! Hé! Landschildpadden die geen vlees lusten moeten niet bij ons zijn! Boerenlummels die duizelig worden als ze in hoge flats wonen moeten hier ook niet zijn! Sukkels die bang zijn dat bankbiljetten hun handen zullen prikken, hoeven we hier ook niet!’ Het leek erop dat je zodra je naar hen toeging grote hoeveelheden vlees te eten zou krijgen, in hoge flats zou wonen en handenvol geld in je zakken zou kunnen stoppen.

          Op de trein was ik nog bang geweest dat het lastig zou worden werk te zoeken zonder vergunning. Toen ik eenmaal in Weiya was aangekomen, vertelde een ervaren vrije jongen me dat het in plaats van met een verhuisbewijs van de commune ook met een kiezerskaart kon; zonder kiezerskaart kon het ook, als je maar een brief had van familie of een vriend uit Xinjiang. De werkeenheden waar het het slechtst liep, hadden de arbeidsbureaus waar ze het hardst riepen en de meest wilde beloftes deden, die hadden allemaal mensen nodig om naar de ergste plekken te gaan voor het zwaarste werk. Zolang je beide armen en benen had en voorzien was van ogen en een neus, namen dat soort arbeidsbureaus je zonder verder moeilijk te doen aan, het deed er niet toe of je een vergunning had.

          Een van die ervaren vrije jongens was al over de veertig, om zijn schouders had hij een versleten gewatteerd jasje hangen, dat glansde alsof het met reuzel bestreken was. Hij beweerde dat hij alles van geneeskunde wist en dat hij een baan zocht waar hij gebruik kon maken van die kennis, daarom was hij juist expres niet naar die schreeuwerige arbeidsbureaus gegaan om zich in te schrijven. Ik begreep dat hij wel over enige scholing beschikte en haalde mijn middelbareschooldiploma te voorschijn. Zijn ogen lichtten even op en hij zei: ‘Dat is een grote schat. Alleen op basis daarvan al moeten ze je op zijn minst technicus maken. Ga niet naar die plekken waar ze zo schreeuwen.’ Hij wees me een bepaalde tent aan en zei dat ik daar werk moest gaan zoeken.

          Voor die tent was het inderdaad schoon, en op het gordijn dat voor de ingang hing was een wit papier geplakt, waarop geschreven stond: ‘Onderwijsbureau Xinjiang, kantoor Weiya’. Het personeel was ook heel beleefd, totaal anders dan die mensen die zo hard riepen dat het spuug in het rond vloog. In de tent stond een kachel gemaakt van een olievat en er stonden een paar bankjes van blank hout, waarop een heel rijtje mensen zat die op zoek waren naar werk. Het kaderlid belast met de inschrijving was een dikzak, die achter een eveneens ongeverfd bureau zat. In die tijd zag je zelden iemand die dik was, daarom maakte hij een buitengewoon diepe indruk op me. Overigens hadden ook niet alle mensen die daar op zoek waren naar werk een getuigschrift. Als je geen getuigschrift had, nam de dikzak je een mondeling examen af. De vragen die hij stelde waren afhankelijk van het opleidingsniveau dat de kandidaat zelf had aangegeven; hij vroeg dingen als: ‘Hoeveel continenten en oceanen zijn er op de wereld?’, ‘Wat voor soort land is de Volksrepubliek China?’, ‘Wie heeft de periodieke tabel van de elementen uitgevonden?’, ‘Wat wordt bedoeld met “De meester zei: Leren en die kennis op gezette tijden in de praktijk brengen, is dat niet ook een geluk?”’, enzovoort. Op alles wat ik zo hoorde, wist ik het antwoord. Toen ik aan de beurt was, overhandigde ik mijn diploma. Toen de dikzak het zag, was hij erg blij. Hij vroeg me alleen uit wat voor soort mensen mijn familie bestond, wanneer ik was gekomen en met wie. Hij schreef mijn naam meteen in het register en zei me dat ik de volgende ochtend vroeg weer moest komen om me te melden, ik zou dan per bus naar Ürümqi gaan.

          U kunt zich zeker wel voorstellen hoe opgewonden ik was toen ik uit die tent kwam. Ik strekte mijn vleugels uit en vloog vrij tussen die rijen tenten in Weiya door. Het was natuurlijk nog beter geweest technicus te worden, maar onderwijzer was ook niet slecht. Er was een sovjetfilm, Lerares op het platteland, die ik op de middelbare school twee keer had gezien en waarvan ik danig onder de indruk was. Omdat de onderwijzer in die film een vrouw was, had ik die baan destijds nooit met mijn eigen idealen in verband gebracht, maar nu het leven mij ineens die toekomst onthulde, bedacht ik me ineens dat onderwijzer eigenlijk aldoor mijn ideaal was geweest. Ik stelde me voor dat ik oud en grijs was geworden en een bril droeg, net als die lerares, dat ik omgeven werd door een groep wetenschappers, schrijvers en officieren en dat al die mensen ooit mijn leerlingen waren geweest...

          Terwijl ik zo voortzweefde en me de wildste dingen voorstelde, kwam ik twee meisjes tegen. Ze waren ongeveer even oud als ik en in hun kleding en uiterlijk hadden ze iets studentikoos, ze hadden samen vier vlechten. Toen ik met die al wat ervarener vrije jongen kletste hadden ze me opgemerkt en nu kwamen ze op me af om wat te praten. Het bleek dat zij ook uit Henan kwamen, hun dorp lag minder dan honderd mijl van onze commune, dat kon je aan hun accent horen. Ze vroegen me of ik werk had gevonden, ik zei ja, nog heel goed ook, en buiten mezelf van vreugde vertelde ik hoe het was gegaan. Bovendien schepte ik nog op dat die dikzak mij heel erg had zien zitten en dat ik niet eens een examen had hoeven doen. Bezorgd zeiden zij dat zij geen werk konden vinden, fysiek werk was te zwaar voor ze, na heel korte tijd zouden ze al op de grond in elkaar storten. Dat was ook waar, ze zagen er bleek en magertjes uit, en hadden totaal niet dat stralende en levendige van de meisjes van achttien, negentien jaar van tegenwoordig. Daarop zei ik onnadenkend dat ze ook maar naar die tent moesten gaan en moesten kijken wat ervan kwam, misschien konden ze lerares op een lagere school worden.

          Die nacht logeerde ik in een hotel in een lemen gebouwtje. Ik had er geen idee van of het een staatshotel was of een privé-hotel van een Oeigoer. Er waren twee grote kangs, met in het midden een muur waarlangs gestookt werd, maar die nu koud en vochtig aanvoelde. Er waren dekbedden noch kussens, maar het kostte wel drie kuai per avond. En dan had je nog al je kracht nodig om je er tussen te wurmen, het was zoiets als een kurk op een fles terugstoppen. Toen ik met moeite een plekje op de kang had bemachtigd, voelde ik pas dat er een stuk vilt op was gelegd. De eigenaar had dus toch nog enig meegevoel.

          In het hotel kwam ik er pas achter dat er mensen bij waren die al een paar keer van werk waren veranderd; ze beproefden hun geluk en gingen daarheen waar de voorwaarden goed waren. Die ervaren vrije jongens zaten gehurkt op de kang, met hun rug tegen de muur. Al sjekkies rokend vertelden ze in geuren en kleuren over hun belevenissen. Zo te horen was er in heel Xinjiang geen plek waar ze niet waren geweest. Meneer, ik zeg u, Xinjiang bood in die tijd echt een zee van ruimte en het was een oord van ongekende vrijheid, totaal anders dan het oosten, waar je voor elke stap die je doet al drie reisvergunningen moet hebben. Wat ik je zit te vertellen kom je in films of romans nooit tegen, je kunt je er vast zelfs geen voorstelling van maken. Jullie zijn eraan gewend alles volgens de regels te doen, van huisdeur tot schooldeur en van schooldeur tot de poorten van je werk. Ik zeg het nog maar eens een keer: Xinjiang was vroeger een achtergebleven gebied, en dat de veranderingen in de afgelopen dertig jaar zo groot zijn geweest, kun je niet los zien van dit open arbeidsbeleid. Als Xinjiang in die tijd net zo was geweest als het oosten en ze mensen die hun handen uit de mouwen wilden steken ook hadden gezien als te arresteren avonturiers en alleen waren afgegaan op papiertjes en niet op talent, dan waren heel wat plaatsen vandaag de dag nog steeds een steenwoestijn!

          Goed, terug naar mijn verhaal.

          Toen ik de volgende ochtend vroeg opstond, dacht ik dat ik op mijn eerste dag maar beter een goede indruk kon maken, ik was nu per slot van rekening een onderwijzer, dus kocht ik voor drie mao een kleine kom met water, waarmee ik mijn gezicht waste. Toen ik naar de tent was gegaan, klauterden de mensen die een baan hadden gekregen al achter elkaar op de bus. De dikzak stond ernaast en hield een telling bij in een notitieblokje, maar zodra hij mij in het oog kreeg, betrok zijn gezicht en werd hij kwaad.

          ‘Ophoepelen!’ zei hij. ‘Je ziet er nog wel zo betrouwbaar uit, maar je houdt je toch bezig met verdorven praktijken. We moeten je niet, ga maar ergens anders heen!’

          ‘Wat?’ zei ik geschrokken. ‘Wat heb ik dan...’

          ‘Wat?’ bauwde hij mij na. ‘Een jongeman die met twee meisjes overal heen reist, wat voor indruk geeft dat? Wat hebben jullie voor relatie? Toen ik het je gisteren vroeg, zei je nog dat je in je eentje was. Onbetrouwbaar, dat ben je!’

          Ik zei bij wijze van uitleg: ‘Die twee meisjes heb ik niet meegenomen. Je geeft me maar een test als je me niet gelooft.’

          ‘Wat valt er nog te testen?’ Hij maakte een boze, afwerende beweging met zijn hand. ‘Ze zeiden nog wel dat ze de onderbouw van de middelbare school hadden voltooid, maar zelfs een simpel rekensommetje konden ze niet oplossen, en ze dachten dat Gorki een Chinees was. Dat is toch je reinste onzin!’

          Intellectuelen hebben allemaal iets koppigs en die dikzak was al helemaal koppig. Misschien was het dat de meisjes mij hadden gebruikt om hem te bedriegen, dat hij nu zo woedend op mij was. Tenzij hij keihard met zijn hoofd tegen een muur botste, zou hij het niet meer terugnemen, wat ik ook zei.

          De bus zette zich in beweging en ik stond daar moederziel alleen op het zand. De dikzak stak zijn bovenlichaam nog uit de cabine, klopte met zijn handpalm tegen het portier en schreeuwde tegen mij: ‘Jongen, als je onderwijzer wilt worden, moet je allereerst te vertrouwen zijn. Zo niet, dan mag je nog zoveel kennis hebben, het helpt je niets!’

          Zo had ik me dus voor niets blij gemaakt. Mijn mooie droom onderwijzer te worden was kapotgeslagen en die wetenschappers, schrijvers en officieren waren er allemaal vandoor! De dikzak was er ook vandoor. De modder die de wielen hadden losgemaakt had me helemaal ondergespat. Toen ik me mistroostig omdraaide, viel mijn oog ineens precies op de twee meisjes, die me naast een tent angstig aankeken.

          ‘Wat hebben jullie nou gedaan! Het is allemaal jullie...’ Ik stortte mijn verontwaardiging over hen uit.

          De twee meisjes stonden dicht naast elkaar. Met gebogen hoofd zeiden ze: ‘We konden niet anders... We hebben de lagere school nog niet eens af, maar de dikke wilde ons testen, dus zeiden we dat dat niet hoefde, dat we studiegenoten van je waren en samen examen van de onderbouw gedaan hadden, dat jij ons hier had gebracht. Later, ja, toen...’

          Toen ik hun betraande ogen zag, begreep ik dat ze hun fout hadden ingezien. Als iemand in het water valt, zal hij elke strohalm aangrijpen. Ze hadden me niet expres in de val willen laten lopen. Ik zei verder niets meer en liep op die tent af waar zo luid geschreeuwd werd.

          ‘Hé!’ hielden de meisjes me tegen, ‘neem ons nou maar mee. We komen uit dezelfde streek en je bent een goeie vent. Wij gaan met je mee.’

          Ik zei: ‘Dat kan niet. Hoe goed ik ook ben, als ze zien dat een jonge vent als ik twee meisjes bij zich heeft, dan zal dat toch argwaan wekken. Hebben jullie net niet gezien hoe die dikzak tegen me tekeerging? Zo gaat het straks ook.’

          ‘Wat moeten we dan?’ Al pratend waren de meisjes gaan huilen. ‘Ons geld is op, we kennen hier niemand en we kunnen niet terug...’

          Zodra ik zag dat ze huilden, kon ik het niet meer verdragen, we waren tenslotte streekgenoten. Ik zei: ‘Al goed, huil maar niet meer. Tot we werk hebben gevonden blijven we bij elkaar. Ik heb nog wat kleren.’

          Ik heb u verteld dat ik enig kind ben, en hoewel we boeren waren, ontbrak het me niet aan kleren. In die paar jaar dat het de landbouwcoöperaties voor de wind ging, kochten mijn ouders van hun geld kleren voor me. Ze wilden niets liever dan dat ik er netjes bij liep en naar school ging. Ach, nu je eraan denkt, als ons land zich verder had ontwikkeld zoals het in 1956 ging, was ik nu misschien wel docent aan de universiteit geweest.’

          Ik zei toch dat Weiya destijds op een vrijmarkt leek? Voor de tenten schreeuwden ze om werk aan te bieden en om de tenten heen werd van alles verhandeld. De spullen die werden aangeboden waren makkelijk mee te nemen, en er waren ook lieden die graanbonnen verhandelden. Natuurlijk waren alle mensen die zich daarmee bezighielden vrije jongens als ik, kaderleden of arbeiders met werk keken wel uit. Als je iets te koop aanbood, hoefde je dat niet op de grond uit te stallen, je hoefde je waar ook niet aan te prijzen. Je hield je spullen gewoon in je handen en na een tijdje kwam er dan iemand naar informeren. Ik koos eerst wat kleren uit die ik ’s winters niet droeg: een blauwe kaki broek en een fonkelnieuwe bloes van wit katoen, waar ik niet meer dan tien kuai voor ving. Geld was weinig waard in 1960. Een kom thee kostte drie mao, een kom dunne noedels een kuai, een maïskoek zo groot als het deksel van een theebeker vijf mao. Mijn broek en bloes aten we met ons drieën in een dag schoon op.

          ’s Avonds keerde ik terug naar het kleine lemen hotel, de meisjes brachten de nacht elders door. De volgende dag kwamen ze me met rode ogen opzoeken en zeiden: ‘We hebben je mooie baan voor je verknoeid, dat is al erg genoeg, maar nu hebben we ook je geld zomaar uitgegeven, dat is nog slechter te verdragen. We hebben daarom afgesproken dat we ons gaan aanmelden bij een tent waar ze fysiek werk aanbieden, er is verder toch niets wat we kunnen.’

          Ik was in de positie van een lemen boeddha die de rivier oversteekt – ik kon mezelf amper redden. Aangezien ze nu zelf bereid waren zwaar werk te verrichten, zat er voor mij niets anders op dan te zeggen: ‘Doe dat dan maar. Zoek iets uit wat nog enigszins licht is en spaar je krachten. Het zal altijd beter zijn dan thuis, je hebt in elk geval genoeg te eten.’

          Ze meldden zich aan en gingen nog diezelfde middag weg in een grote vrachtauto. Ik verkocht nog een bloes, rende naar de auto en gaf hun ieder twee kuai. Naast die vrachtauto werd nog geroepen: ‘Kom hier, je krijgt melk als water...’, maar bij beide meisjes op de auto stroomden de tranen rijkelijk en ik kreeg het ook danig te kwaad, alsof we echt studiegenoten waren en echt samen naar dit grensgebied waren gekomen, waar we heg noch steg wisten...

          Wij chauffeurs kunnen overal in Xinjiang komen. Vele jaren later stopte ik een keer in de straten van Korla. Voor me stond een laadwagen waaruit ze peren aan het lossen waren. De vrouw op de wagen die manden versjouwde, kwam me naarmate ik langer keek steeds bekender voor. Het duurde even voordat ik in de gaten had dat het een van mijn streekgenotes was, een van de twee meisjes. Ze werkte heel behendig, en was ook veel dikker dan vroeger. Ze was vast getrouwd en had kinderen gekregen, uit elke beweging sprak een felheid waaruit bleek dat ze haar zaakjes goed wist te regelen. Ik staarde haar een poos aan maar durfde haar niet te groeten. Toen ik de auto voorbij reed, wierp ik haar nog een blik toe. De auto was van een regiment van de Tweede Landbouwdivisie. Waarschijnlijk waren zij daar allebei als boerenarbeidsters terechtgekomen.

          Ik bleef destijds in Weiya achter. De woorden van de ervaren vrije jongen hadden ervoor gezorgd dat ik mijn eisen had opgeschroefd. Ook al kon ik geen technicus of onderwijzer worden, ik dacht dat er nog genoeg werk over was waar je een opleiding voor nodig had. Ik kon toch moeilijk fysiek zwaar werk gaan doen net als die twee meisjes die de lagere school nog niet eens hadden afgemaakt. ’s Avonds sloot ik me aan bij een groepje vrije jongens om een praatje te maken. U weet vast wel dat de mensen die erop uit zijn getrokken allemaal bevlogen en grootmoedig zijn. Ook al hebben de vrije jongens zelf ellende in alle soorten en maten meegemaakt, ze blijven een open oor houden voor andermans zaken. Toen ze van mijn situatie hoorden en mijn diploma van hand tot hand hadden laten gaan, kwamen ze met allerlei plannen voor me, maar uiteindelijk adviseerden ze me unaniem naar Hami te gaan. In Hami kon ik vast werk als boekhouder of iets dergelijks vinden.

          Boekhouder klonk ook niet slecht, op de middelbare school had ik leren rekenen op het telraam en dus besloot ik naar Hami te gaan.

          In die tijd waren de bussen uit Weiya propvol, het was volstrekt onmogelijk binnen een week een kaartje te kopen voor een bus die westwaarts ging. Ik kon me niet veroorloven te wachten, want mijn geld was vrijwel op en ik had geen kleren meer die ik kon verkopen. Ik deed wat de vrije jongens me geleerd hadden en ging naar de vrachtauto’s om daar een lift te krijgen.

          De parkeerplek lag ten westen van de tentenstad. Op het woestijnzand zag je kriskras door elkaar allemaal bandensporen en plassen olie die de sneeuw zwart hadden gekleurd; de vrachtauto’s stonden ook rommelig door elkaar, ongeveer honderd, ze waren willekeurig geparkeerd. Sommige portieren zaten op slot, andere chauffeurs waren druk bezig bij hun vrachtwagen, sommigen zagen er vriendelijk uit, anderen waren zo te zien heel ruw. Die ochtend vroeg bleef ik eindeloos lang op de parkeerplaats, maar ik durfde mijn mond steeds niet open te doen. Toen de zon hoog aan de hemel stond en de auto’s een voor een in beweging kwamen, stond ik daar nog steeds angstig en verschrikt. Net op dat moment hoorde ik plotseling een chauffeur van een auto vol olievaten ons streekdialect spreken. Ik ging naast zijn auto staan, zogenaamd om te kijken hoe hij zijn wagen repareerde.

          Meneer, je geboortestreek is een heel diepgeworteld begrip voor ons Chinezen. Die twee meisjes hadden naar me gekeken omdat ze mij hoorden praten, en nu lette ik pas echt op die chauffeur toen ik hem hoorde praten. Na een poosje was de chauffeur klaar met het repareren van zijn wagen, en het kaderlid dat met hem had staan praten vertrok. Hij klapte de motorkap dicht, keerde zich om en ontdekte mij. Hij riep tegen me: ‘Hé, jij daar, geef me eens die emmer met water aan.’

          Ik reikte hem de emmer aan en vroeg vleiend: ‘Meneer, waar gaat u heen met deze wagen?’

          De chauffeur zag er vriendelijk en goedhartig uit, zijn gezicht was vuurrood. Toen hij mijn accent hoorde, lachte hij. ‘Goh, we zijn streekgenoten! Waar wil je heen?’

          Ik zei dat ik naar Hami wilde. Hij zei dat hij naar Ürümqi ging, dus hij kon me een lift geven. Hij vertelde me dat je op de vrachtwagen niet mocht roken, en dat het kaderlid van het vervoerskantoor zojuist wilde dat hij een ‘uitgezonden’ personeelslid uit het oosten meenam, maar hij dacht, mensen die worden uitgezonden en die politiek werk doen, die de hele dag in andermans dossiers zitten te bladeren en bedenken hoe ze anderen gaan rectificeren, die mensen houden vast van roken, dan was het beter mij een lift te geven, ik rookte niet en bovendien was ik een streekgenoot.

          Toen hij het water had bijgevuld, sprong hij van de bumper omlaag en zei tegen me dat ik snel mijn bagage moest halen. Ik hield mijn kleine bundeltje omhoog, zwaaide dat heen en weer en zei dat mijn bezittingen allemaal daarin zaten. Hij lachte weer even, opende het portier, streek even over mijn hoofd en zei: ‘We gaan!’

          Toen de wagen de weg op draaide, zagen we hoe het kaderlid van het vervoerskantoor met een andere man, die een zwartleren koffer droeg, maar buiten kwam rennen en naar ons riep...

          Ik zal het maar meteen zeggen, die chauffeur werd mijn leraar. Op de wagen vertelde ik hem over de situatie thuis, hij moest ervan zuchten en schudde zijn hoofd. Hij zei dat het allemaal door de Grote Sprong Voorwaarts was verziekt. Iedereen wist dat in de tijd van de Grote Sprong wij de wind het hardst van voren hadden gehad. Hij vroeg me verder wie ik in Hami ging opzoeken, welk familielid van mij daar zat. Ik vertelde hem precies wat mijn plan was en haalde mijn diploma te voorschijn om aan hem te laten zien. Hij zei dat ik niet moest neerkijken op lichamelijk werk, de wereld was gemaakt door arbeiders, daarom was het heel eervol een arbeider te zijn. In 1947 was hij bij het leger gegaan en op de vrachtwagen terechtgekomen, in 1949 was hij naar Xinjiang gekomen; toen ze hem vroegen kaderlid te worden had hij dat geweigerd, hij was van beroep veranderd, maar was in zijn wagen blijven rijden. We konden goed met elkaar opschieten en voordat we bij Hami waren, had hij al besloten dat hij me als zijn leerling zou aannemen.

          Zo kwam het dat ik niet uitstapte toen hij Hami aandeed, maar helemaal met hem meereed tot Ürümqi.

          Mijn leraar is nu allang met pensioen. Hij is dit jaar zeventig geworden en houdt zich thuis de hele dag bezig met planten en bloemen. Ik ga vaak bij hem op bezoek. Hij zegt altijd: ‘Als je me komt opzoeken hoef je niets mee te nemen, maar als je mooie planten ziet, neem daar dan een pot van mee.’ Ziet u die scharlaken clivia achter me? Die heb ik gisteren gekocht van een klant uit het noordoosten, voor vijftig kuai. Morgen geef ik hem aan mijn leraar, hij zal er zeker blij mee zijn!

          Krijgt u niet genoeg van mijn geklets? Jullie verslaggevers houden ervan over belangrijke personen te schrijven, over helden en modelarbeiders. Mijn leven lang heb ik niets uitzonderlijks gedaan, ik ben doodgewoon. Ik ben weleens geprezen en heb oorkonden gekregen, maar dat is toch allemaal van binnen ons bedrijf, het heeft zelfs nooit in het Xinjiangs Dagblad gestaan. Ik weet dat u toch niet gaat schrijven over wat ik u nu vertel, en ook al deed u dat wel, er is geen krant of tijdschrift dat het zou publiceren, ik vertel het om u een beetje wakker te houden.

          Zet u schrap hoor, na de volgende bocht gaan we de bergen in...

          ... sindsdien reed ik in een vrachtauto. De dagen vlogen als autowielen voorbij, op de goeie dagen leek het of je het gaspedaal helemaal had ingetrapt en honderd kilometer per uur deed, op slechte dagen leek het of je wielen in een modderige greppel vastzaten, ze draaiden wel rond maar je kwam niet vooruit. Hoe dan ook, voor ik het wist waren er meer dan twintig jaar voorbij. In die tijd heb ik op heel wat vrachtwagens gereden. De eerste was een Gaz uit de Sovjet-Unie, later reed ik onze eigen Bevrijding, ik heb ook in een Tsjechische Skoda gereden, en in een Roemeens merk, en pas onlangs heb ik deze Hino gekregen.

          De leeftijd van een auto meet je niet in jaren, maar aan het aantal kilometers dat hij heeft gereden. Ik vind dat dat met mensen ook zo zou moeten werken. Sommige mensen leven vijftig of zestig jaar in pais en vrede zonder ooit iets ergs mee te maken en zonder ellende, en eigenlijk zou je moeten zeggen dat ze nog heel jong zijn. Andere mensen hebben van jongs af ontberingen doorstaan en hebben op hun dertigste, veertigste al heel wat meegemaakt, dan zou je moeten zeggen dat ze heel oud zijn. Meneer, denk niet te licht over onbetekenende, gewone mensen: als iemand ontberingen heeft doorstaan, heeft hij geheid genoeg materiaal voor een roman.

          Kijk nu naar mij, een gewone chauffeur. Toen we net handel met het buitenland dreven, ben ik nog naar de Sovjet-Unie, Afghanistan en Pakistan geweest. Vooral in de tijd dat China Pakistan hielp wegen aan te leggen, ben ik een aantal keren maar ternauwernood aan de dood ontsnapt. Rijden door indrukwekkend hoge buitenlandse bergen voordat er wegen zijn aangelegd is nog moeilijker dan een ruimteschip besturen! En denk maar niet dat je in het binnenland van Xinjiang in die tijd zulke mooie vlakke wegen had als nu! Je reed over wegen als wasborden, of zocht je weg door de grote, uitgestrekte woestijn. Als het waaide of regende, zat je in je eentje vast op de weg, het was zo erg dat je er niet eens om kon huilen. Zodra het ’s winters sneeuwde, werden de wegen net rivieren, met een laag ijs erop die je gewoonweg niet kapot kon krijgen. Wanneer je in het Tian-gebergte reed, dat drie-, vierduizend meter hoog is, ging je op en neer, je moest de hele tijd naar links of rechts bijsturen, elke meter leek je door de Geestenpas te gaan, je hoefde maar iets verkeerd te doen of je donderde met je auto de steile afgrond in. Dat soort wegen heb ik in de Sovjet-Unie en Afghanistan nooit gezien, en als je het navraagt, komt dat ook niet voor in andere landen. Als zij te maken hebben met sneeuw, halen ze die eerst weg met sneeuwruimers, en als dat niet lukt rijden de chauffeurs niet. Wie zijn er dan helden? Ik vind dat wij Chinezen knap heldhaftig zijn!

          Goed, genoeg opgeschept, laat ik wat over mijn eigen leven vertellen.

          Ik heb niets te klagen. Een boerenzoon die in een vrachtwagen rijdt, de staat die mij goederen toevertrouwt ter waarde van enige tienduizenden yuan, alleen dat al geeft me er een idee van hoe belangrijk ik ben. In de tijd dat ze de nadruk legden op klassenachtergrond gold ik binnen mijn brigade als zuiver, en daarom lieten ze mij altijd verre klussen doen en mocht ik internationaal rijden. Ik ben ook voorzichtig en nauwgezet, altijd bang dat ik het vertrouwen van de leiding zal beschamen. Maar in mijn hart heb ik lange tijd een ijsklomp meegedragen die niet wilde smelten.

          In de lente na mijn komst naar Xinjiang stierven mijn ouders bij het aanleggen van een irrigatiesysteem. Mijn oom schreef dat mijn moeder vlak voor ze stierf aanhoudend mijn voornaam riep en dat ze na haar dood in haar zak de twee postwissels hebben gevonden die ik haar had gestuurd. Ze was er nooit mee naar het postkantoor gegaan: in de graanwinkels en op de markt kon je geen graan krijgen; ook al had ik haar handen vol geld gestuurd, ze had er niets mee gekund. Mijn oom had van het geld een lijkkist van dun hout voor haar laten maken en het graf van mijn vader gerepareerd. In 1964 had ik genoeg verdiend om een reis naar huis te maken.

          De graven van mijn ouders waren al met onkruid overwoekerd en de populieren die erbij waren geplant waren al armdik.

          Ik ging ook kijken naar het paadje waarlangs ik die bewuste nacht van huis was weggegaan en naar de plaats waar mijn vader gehurkt had gezeten. Het was al helemaal veranderd: het paadje was een weg geworden, bestraat met keien, en de plek naast het pad waar vader had gehurkt lag nu midden op de weg, de tractoren reden er overheen, af en aan. Mijn leraar had volkomen gelijk met zijn uitspraak: Een vrachtwagen rijdt vooruit, je ogen moeten altijd naar voren gericht zijn; je mag af en toe in de achteruitkijkspiegel kijken, maar als je dat de hele tijd doet, kantelt je wagen absoluut! Daarom ben ik teruggekomen om hier weer als vanouds in mijn vrachtwagen te rijden.

          Zo liggen de naakte feiten, maar ik was wel moederziel alleen op de wereld, en ik voelde me voortdurend onbeschrijflijk eenzaam. Chauffeurs zijn zelden in de gelegenheid elkaar te ontmoeten; als ik mijn wagen had weggezet, vertrok mijn ploeggenoot, had hij zijn wagen geparkeerd, dan ging ik weer op pad. Het was ook moeilijk meer dan een dag met mijn leraar door te brengen. Later begon de Culturele Revolutie, en zelfs bekenden durfden onderling niet meer over persoonlijke dingen te spreken, zodat niemand elkaar meer vertrouwde. Als je een onbekende zag, keek je hem argwanend aan en moest je je eerst afvragen of het misschien een klassenvijand was en wat voor achtergrond hij had. Hoe anders dan nu, nu ik hier iemand die ik net heb ontmoet zomaar over mijn privé-leven zit te vertellen! Toch zijn de relaties van mensen onderling nog steeds niet zo hartelijk als in de moeilijke tijd van 1960. Meneer, waar lijdt de mens volgens u het meest onder? Het ergste is volgens mij als je geen contact hebt met elkaar. Als je ’s ochtends opstaat, doe je je ondergoed aan, daaroverheen een trui, daar weer een gewatteerd jasje over, maar over dat jasje komt nog een onzichtbaar pantser om jezelf in te verpakken. Dan pas ga je naar buiten. Iedereen zit weggedoken in zijn eigen onzichtbare pantser, daarom kan er ook geen gezellige sfeer ontstaan, hoeveel mensen je ook hebt op de werkeenheid.

          In die tijd was ik altijd bedrukt en stil. Op een keer zag mijn leraar me en zei: ‘Je moet toch eens overwegen te trouwen, je bent nu zes-, zevenentwintig, straks ben je dertig. Als je een gezin hebt, en iemand die met je meeleeft, ga je je misschien wat beter voelen.’ Toen ik erover nadacht, moest ik erkennen dat er wat in zat. Ik moest maar eens op zoek gaan naar een vrouw.

          In Xinjiang is het niet makkelijk een vrouw te vinden. Hier zijn meer mannen dan vrouwen, je moet geduldig je kans afwachten. Gelukkig komen wij chauffeurs overal. Kort daarna zat ik met een aantal chauffeurs van ons bedrijf in Dawanchin in de kantine, toen we het erover kregen. Een chauffeur sloeg zichzelf hard op de dij en zei: ‘Ik weet het al! Precies waar je het niet verwacht! Hier in Dawanchin is net een meisje uit het noorden van Shaanxi gekomen, ik zal het voor je gaan bespreken.’ De anderen begonnen ook in het wilde weg te roepen en te fluiten, en een chauffeur hief een Kazaks liedje aan:

 

De vlechten van de meisjes in Dawanchin zijn lang,

Hun ogen zijn heel mooi!

Als je gaat trouwen, neem dan geen ander,

Trouw dan met mij...

 

Ik kreeg het er warm van. Dan moest het maar gebeuren.

          Dat meisje kwam uit Mizhi. In dat jaar hadden er in het noorden van Shaanxi verschillende rampen plaatsgevonden, en net zoals ik in 1960 was ze alleen maar hierheen gekomen omdat er thuis geen eten was. ‘Een vrouw uit Mizhi maakt een gelukkige man’, dat gezegde uit Shaanxi is minstens zo bekend als het Oeigoerse ‘De meisjes uit Dawanchin zijn mooi als een bloem.’ Het meisje was voor in de twintig, ze had lagere school en zag er inderdaad knap uit. Hoewel haar vlechten niet lang waren, waren haar ogen heel groot. Haar tante had aan de wegkant een theestalletje, ze kon slecht rondkomen, maar ze stelde geen speciale eisen. Ze wilde alleen dat ik een woonvergunning en graanbonnen voor haar regelde. Zo te horen kon de tante niet zo goed opschieten met het meisje, ze wilde alleen haar potverterende nichtje zo snel mogelijk het huis uit krijgen.

          Voor mij was het niet moeilijk. Mijn chefs respecteerden me, want welke partij er ook aan de macht was, ze hadden altijd mijn technische kennis nodig, dus het was vanzelfsprekend dat ze voor een familielid van me een woonvergunning en graanbonnen regelden. We bespraken het onder elkaar en beklonken de zaak meteen met de tante.

          Toen ik thuis was gekomen, was mijn leraar het volstrekt niet met de gang van zaken eens. Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Je weet niets van haar, hoe kun je het zo licht opvatten? Dit is voor je hele verdere leven. Overhaast je niet, laat mij iemand voor je zoeken.’ Ik zei: ‘De afgelopen jaren ben ik overal geweest, ik heb allerlei mensen meegemaakt en heb zo langzamerhand wat ervaring in het beoordelen van anderen. Dit meisje is heel serieus, ze ziet er niet frivool uit. Ik denk dat zij het maar moet worden.’ Ik had jarenlang nooit aan trouwen gedacht, mijn leven was eenzaam en saai. Pas door die opmerking van mijn leraar realiseerde ik me hoe belangrijk trouwen is, en daarom wilde ik alles liefst zo snel mogelijk regelen. Zo kwam het dat ik geen acht sloeg op de woorden van mijn leraar en met haar trouwde.

          U ziet er nog jong uit, bent u getrouwd? Nee? Goed, dan zal ik u wat vertellen over het huwelijk. Ik ben twee keer getrouwd, je kunt wel stellen dat ik enige ervaring heb.

          Als je als man en vrouw een gewoon leven hebt en er geen erge dingen zijn die je huwelijk op de proef stellen, dan moet je aan het dagelijkse doen en laten en de kleinste veranderingen in elkaars ogen of gezichtsuitdrukking elkaars diepste gevoelens kunnen aflezen. Dat heeft niets met kennis te maken, je kunt alleen maar op je gevoel afgaan, of zoals jullie intellectuelen dat zeggen, op je ‘intuïtie’. Als ze echt van je houdt, zal haar hand ook als ze je een klap geeft warm aanvoelen; als ze doet alsof, kan ze je de hele dag omhelzen en zoete woordjes mompelen, maar toch zul je voelen dat haar hart ijskoud is. Buitenshuis kun je de schijn nog ophouden, en door je schijnbaar actief op te stellen kun je toch nog oorkonden of een partijlidmaatschap bemachtigen, maar thuis ben je 365 dagen van het jaar bij elkaar, ’s avonds deel je ook nog het bed, en je kunt voor je wederhelft dan echt niet de schijn blijven ophouden. Bij sommige echtparen worden dan misschien wel regelmatig schalen en kommen kapotgegooid, maar als je de manier waarop zo’n echtpaar naar elkaar kijkt goed observeert, kan het een stel blijken te zijn dat hecht aan elkaar verknocht is. Van andere echtparen kun je zeggen dat ze, zoals dat in boeken zo mooi heet, ‘elkaar respecteren alsof ze gasten waren’, maar wie weet delen ze wel het bed maar niet hun dromen.

          Dat meisje uit het noorden van Shaanxi was heel fatsoenlijk. Ze was behendig, kon koken en naaien, ze roddelde nooit met de buren en veroorzaakte geen problemen. Van het geld dat ik haar elke maand gaf hield ze heel precies in een boekje bij waaraan ze het uitgaf. Als ik mijn wagen had geparkeerd en thuiskwam, stond het warme eten op tafel klaar; waren mijn kleren vuil of kapot, dan had ze die al weer netjes voor ik er iets over had gezegd. Maar gevoelens, ho maar!

          Bij ons in Xinjiang komt het vaak voor dat je eerst trouwt en daarna pas van elkaar gaat houden. Als u dat niet gelooft, vraag het dan maar na bij de ingenieurs en commandanten van de productie- en opbouwbrigades. Haast al hun vrouwen zijn boerenmeisjes die ze in 1953 en 1954 uit Shandong, Hebei en Anhui hebben gehaald. Zo bekommerde onze commandant Wang Zhen zich om zijn oude strijdmakkers met wie hij meer dan tien jaar in de oorlog had gevochten. Bij die stellen was er geen sprake van liefde, zodra de meisjes waren gekomen werd er getrouwd, maar later ging het ze heel goed. In de Culturele Revolutie heeft geen één vrouw haar ‘kapitalist’ weggestuurd. Je kunt ook heel goed na het huwelijk om elkaar gaan geven.

          Ik probeerde dat ook. U weet ook dat het destijds een grote chaos was. Ook al wilde je je nuttig maken voor het land, dat kon niet, het enige wat je kon doen was je eigen gezinnetje opbouwen. Ik liet allerlei meubels maken, in de modernste Tsjechische en Poolse stijl, allemaal mooi glanzend gelakt, en we hadden ook een kleine bank en een staande lamp. Toen ik op Pakistan reed, had ik in ieder geval goed verdiend en mijn salaris was genoeg voor ons tweeën.

          Maar haar houding tegenover mij leek op die van een dienstmeid tegenover haar baas, of was zelfs nog slechter. Een ingehuurde huishoudster lacht soms nog even naar de baas, maar op haar gezicht was nooit een spoortje van een lach te bekennen. De meubels die ik had laten maken beschouwde ze niet als de hare, of ik er nu was of niet, ze zat nooit eens even op de bank; de kleren die ik voor haar kocht, droeg ze nooit. Ik had wel door dat dat niet uit zuinigheid was, maar dat ze me expres op een afstand wilde houden. Als ik vrij had, of ’s avonds naar huis kwam en wij beiden thuis waren, zorgde ze ervoor dat ze constant iets om handen had, of ze ging ver van me af op een laag krukje zitten, alsof ik haar iets had gedaan. Haar grote ogen waren uitdrukkingsloos, en ze verborg haar zuchten door lang uit te ademen. Als ik haar mee wilde nemen naar een film, keerde ze me de rug toe: ‘Waarheen dan? Het is altijd weer Het Shajia-moeras of Het innemen van de Tijgerberg door een list!’ Daar had ze wel gelijk in, want iets anders dan die propagandafilms was er niet. Dan moesten we maar wat praten. Ze sprak alleen over dingen die met het huishouden te maken hadden, verder kwam er nooit een vriendelijk woord over haar lippen, ze zei eigenlijk alleen het hoognodige. Ja meneer, lach me maar uit, maar als man en vrouw wil je af en toe toch ook... eh... Zij liet dan met zich sollen als een dode die in een lijkwade wordt gekleed, ze reageerde nergens op; ik werd er neerslachtig van en kreeg zwaar de pest in.

          Kort gezegd, zij droeg het onzichtbare pantser dat iedereen had ook thuis. Zelfs als ze ’s avonds naast me sliep, trok ze het niet uit. Is het gek dat ik er depressief van werd? Ben ik soms blind of pokdalig, zie ik er zo vreselijk uit? Ja, u moet me niet belachelijk maken, ik haal het natuurlijk niet bij Da Shichang, maar dat is dan ook de knapste acteur die er is. Toen ik zeven-, achtentwintig was, zag ik er echt niet zo slecht uit, ik had een gelijkmatig humeur, en op mijn gedrag viel niets aan te merken. Waarom deed ze dan zo? Ze zag er ook weer niet uit of ze van nature zo kil was. Ik zat er de hele tijd over te piekeren. Eerlijk gezegd kon ik het niet van me afzetten. Ik kan u vertellen, ellende thuis is voor een mens veel erger dan politieke of financiële frustraties en moeilijkheden. Als je bekritiseerd wordt, maar je hebt een harmonieus en fijn gezin, kun je daar toch wat troost vinden; als je arm bent, maar je hebt een lieve vrouw, zul je toch opgewekt leven. Dat ik nu uitgerekend die vrouw had getroffen- het was gewoonweg nog zwaarder dan toen ik vrijgezel was. Ik zal u eerlijk zeggen dat ik toen ben gaan roken. En niet alleen roken, ik ging ook drinken. Per keer natuurlijk niet meer dan één glas, want we moesten nog rijden.

          Zo ging er haast een half jaar voorbij. Later kreeg ik langzaam door dat de oudere vrouwen in de buurt me altijd medelijdend aankeken en dat er iets aparts in hun houding was. In het begin, toen we net getrouwd waren, werd ik op weg naar huis vaak staande gehouden door die vrouwen, die dan allemaal grapjes over ons maakten. Alle zaken die je liever geheim hield, bespraken ze zonder enige gene. Maar als ze me nu groetten, hakkelden ze ineens, en ze noemden mijn vrouw nooit waar ik bij was. Ik begreep het niet. Hoewel we niets voor elkaar voelden, hadden we toch nog nooit ruzie gemaakt?

          Op een keer waren we met onze eenheid in Ili. We hadden de goederen uitgeladen en logeerden in Hotel Oase. Een paar van ons zaten bij elkaar, we hadden wat kebab en twee flessen Ili-jenever gekocht en zaten te drinken en te kletsen. Je moet weten dat niemand toen over serieuze zaken durfde te spreken, dus we kletsten zomaar wat, over niets. Over vrouwen praten was nog het veiligst. Toen de drank half op was, waren we erg vrolijk geworden, en de man die in Dawanchin het Kazakkenliedje gezongen had, zong nu een volkswijsje uit Shaanxi:

 

Laten we het hebben over een bekende familie

Ze wonen in Dertigmijldorp in Mizhi

Ik, vierde zusje, ben met derde broer

Hij is mijn grote lief

Derde broer werd soldaat in het dal

Vierde zusje stond triest op de oever van de rivier

Ze wilde naar voren gaan om iets te zeggen

Maar was bang uitgelachen te worden...

 

Daarop kreeg iedereen het er weer over dat de meisjes uit het noorden van Shaanxi de bevalligste en de trouwste van heel China zijn. Als ze eenmaal ‘met’ een ‘broer’ waren, was het liefde tot in de dood. Een paar zaten mij belachelijk te maken, omdat mijn vrouw uit Mizhi kwam. Toen het kabaal op zijn grootst was, liet een jonge jongen die stomdronken was zich ontvallen: ‘Hé! Je mag wel oppassen, want het kan best zijn dat de derde broer van jouw vrouw een ander is dan jij...’

          Daarna werd het in een klap weer rustig, de andere chauffeurs zaten die ene jongen allemaal verwijtende blikken toe te werpen. Hij leek ook door te hebben dat hij iets verkeerds had gezegd, want hij at met gebogen hoofd zijn kebab en zei niets meer.

          Daar zat natuurlijk iets achter. Ongeacht waar de anderen over grapten om me af te leiden, mijn plezier was vergald. Toen de jongen even later naar de wc ging, ging ik achter hem aan.

          In de gang pakte ik hem bij zijn arm en vroeg: ‘Wat bedoelde je zonet? Wees maar niet bang, ik neem je niets kwalijk.’

          De jongen kleurde vuurrood en hakkelde: ‘Ik zei niets, het was maar een geintje...’

          Op dat moment kwam een oudere chauffeur ook naar buiten. Hij zei: ‘Nu je je mond toch voorbij hebt gepraat, kunnen we beter open kaart spelen en hem niet langer in het ongewisse laten. Kom, laten we naar binnen gaan.’

          Zo vertelden een paar chauffeurs me wat iedereen al wist. Het bleek dat drie maanden daarvoor een jonge vent uit het noorden van Shaanxi bij mij thuis was gekomen om haar te bezoeken. De buren wisten niet wat hun relatie was, ze hadden alleen gehoord hoe ze in de kamer huilden, heel zacht, maar heel droevig. Het echtparencomplex van ons bedrijf bestaat uit rijen lage huizen, waarin meer dan honderd gezinnen wonen. Er zijn geen aparte ingangen, als er ergens iets aan de hand is, hou je dat voor niemand verborgen. Bij de gezinsleden van de chauffeurs zijn er nogal wat die niet werken, de vrouwen gaan beurtelings bij elkaar langs en roddelen onvermijdelijk over deze en gene. Daarbij komt dat ze veel contacten hebben en ervan houden naar dingen te vragen. De politierecherche is er niets bij. Na niet al te lange tijd hadden ze al heel wat inlichtingen vergaard: de jongen kwam uit hetzelfde dorp als zij, hij was een vrijwilliger uit het leger die net was gedemobiliseerd en had speciaal deze lange reis ondernomen om haar op te komen zoeken, ze hadden ongetwijfeld iets met elkaar gehad. De jongen had bij het veevoederbedrijf schuin tegenover het echtparencomplex tijdelijk werk gevonden als stoker. Als ik niet huis was, kwam hij vaak langs. Bij elk bezoek sloten ze de deur om heimelijk met elkaar te praten.

          ‘Doe niets ondoordachts, til er niet te zwaar aan’, probeerden de chauffeurs me te kalmeren. ‘Dat we het voor je verborgen hielden, was omdat jullie het zo te zien wel met elkaar kunnen vinden, en als we het dan bij het verkeerde eind hadden, zouden we onenigheid hebben gezaaid in jullie relatie. Daar komt nog bij dat je een binnenvetter bent... we waren bang dat er misschien iets ergs van zou komen als we het mis hadden.’

          Ik hoorde het aan en het leek alsof er iets in mijn keel stokte. Mijn tranen terugdringend zei ik: ‘Dank jullie voor je goede bedoelingen, maar jullie hadden me dit eigenlijk al veel eerder moeten zeggen. Ons leven samen is niet zoals jullie dat van buitenaf zien, ik zit al haast een half jaar met niets dan zorgen en ellende...’

          Toen ze over mijn situatie hoorden, waren ze buitengewoon verontwaardigd. Sommigen wilden die jongen uit Shaanxi vast grijpen, hem een pak rammel verkopen en hem dan terug naar huis jagen. Anderen zeiden dat hij er zo veel te gemakkelijk afkwam, dat we hem naar de politie moesten brengen. De ouderen zeiden dat we er niet te veel ophef over moesten maken en dat het genoeg was hem weg te jagen. Als ze later een kind kreeg, zou ze misschien kalm en rustig met mij verder kunnen leven.

          Alles liep door elkaar heen in m’n hoofd; als een caleidoscoop die steeds nieuwe plaatjes te voorschijn tovert kreeg ik allerlei ideeën: ik zag mezelf doortrapt of juist heel nobel handelen, koos tussen een verborgen aanpak of een open confrontatie... van alles, maar uiteindelijk nam ik toch geen beslissing.

          Toen ik thuiskwam, observeerde ik haar nog aandachtiger. Maar zij gedroeg zich net als anders, om het fraai uit te drukken: ‘kleurig als een perzik of peer, maar koud als ijs’. Haar uitgaven waren perfect bijgehouden, alles was piekfijn opgeruimd, en als ik haar verwijten had willen maken, dan was er geen enkele aanleiding. En toen ik me voornam de zaak op tafel te gooien, kon ik weer geen geschikte woorden vinden om mee te beginnen.

          Later bleef ik een paar dagen thuis terwijl de wagen een grote beurt kreeg. Toen hij klaar was en ik weer weg zou gaan, was ik net de garage uit of ik ontdekte dat er iets mis was met de versnellingsbak, als ik schakelde maakte hij een schurend geluid. Destijds waren de onderhoudsmonteurs volstrekt onverantwoordelijk, een kapotte wagen kregen ze niet gerepareerd, maar een wagen waar niets mee was, hadden ze zo kapot. Dan moest de chauffeur zelf zijn handen uit de mouwen steken. Die dag vertrok ik dus niet. De hele ochtend sleutelde ik aan mijn wagen. ’s Middags ging ik naar huis met de moersleutel die ik geleend had om de wagen te repareren. Toen ik binnenkwam, was zij daar samen met die vent!

          Zij zat op het bed, hij zat op een krukje naast haar. Hun hoofden waren gebogen en de ingespannen uitdrukking op hun gezicht deed vermoeden dat ze op een plan zonnen. Toen ze mij onverwacht zagen binnenkomen, schoten ze overeind. De jonge vent zag er ontzet uit en wist niet wat te doen, zij bleef daarentegen heel beheerst en ging met één stap tussen hem en mij in staan, niet zozeer om hem met haar lichaam tegen mij te beschermen als wel om me met haar gezichtsuitdrukking duidelijk te maken: ‘Zie maar wat je doet! Wil je slaan of schelden, dan moet je eerst langs mij!’

          Om eerlijk te zeggen had ik, hoe warrig mijn gedachten ook waren, toch wel het idee gehad hen te grijpen en ze een ongenadig pak slaag te geven, maar toen het moment daar was, was ik alleen maar zo razend dat ik van top tot teen trilde. Ach, meneer, als je plotseling te maken krijgt met een enorme vernedering, zul je even niet weten wat te doen, ook al heb je het gelijk aan jouw kant. De jongen maakte gebruik van mijn moment van verlamming om als de wind vanachter haar weg te rennen. Toen ging ze op het bed zitten, met een vastberaden, grimmige uitdrukking op haar gezicht.

          Tandenknarsend bleef ik haar vragen: ‘Wie is hij? Wie is die vent?’

          Eerst bracht ze geen woord uit. Langzaam begonnen er twee stroompjes tranen uit haar grote ogen omlaag te biggelen. Ze drupten op haar borst. Ze boog haar hoofd niet, draaide haar gezicht niet weg, zei niets, maar zat daar maar terwijl de tranen over haar wangen stroomden.

          Ik ben een goedzak, ik kan er niet tegen mensen te zien huilen. Door haar huilen was mijn woede meteen geblust. Ik smeet de moersleutel in een hoek en plofte op de bank neer. Ik dacht alleen maar, als ze kan liegen en zegt dat hij haar broer is of een streekgenoot, dan is het daarmee uit. Die oude chauffeurs hadden gelijk, stuur die jongen weg, krijg een kind met haar en leef dan net als iedereen.

          Maar ze loog niet. Ze bleef huilen en kon geen woord uitbrengen. Ik staarde wezenloos voor me uit, met mijn hoofd steunend op mijn handen, en zat daar maar. Ik keek naar de splinternieuwe meubels, de aparte bank en de staande lamp, en kreeg langzaam het gevoel: Tussen ons was niets, alle glanzend gepoetste dingen waren als ijs, de glans die ze afgaven was weerzinwekkend koud. Wat stelden die spullen nou voor? Stel dat we later een kind hadden, wat dan? Ik had genoeg chauffeurs meegemaakt die thuis een heel stel kinderen hadden rondlopen, maar die buitenshuis flink in het rond rotzooiden en vaak stomdronken werden omdat ze het met hun vrouw niet konden vinden. Ons werk is in orde, we verdienen goed en je hebt politiek nooit last, maar toch worden sommigen alcoholist en veroorzaken ze ongelukken. Als je gaat onderzoeken waarom dat is, zie je dat het meestal komt door problemen thuis.

          Omdat ze niets zei, ging ik die jongen zoeken. Ik wilde hoe dan ook weten wat er aan de hand was. Zonder te eten – op zo’n moment krijg je geen hap door je keel – ging ik woedend weg.

          De jongen woonde naast het ketelhuis van het veevoederbedrijf, hij had twee lemen muren gemetseld pal tegen de grote schoorsteen aan en had zo een huisje gemaakt. Het huis was merkwaardig van vorm: het leek zowel driehoekig als sikkelvormig, maar de hitte van de schoorsteen was goed benut, het was er heel behaaglijk. Het was echt een bouwkundige innovatie.

          Hij was geen lafaard. Toen hij me de wiebelige kartonnen deur open zag duwen, leek het alsof hij me had verwacht. Heel beleefd verzocht hij me te gaan zitten, en hij schonk nog thee in ook. ‘Men slaat geen man met een lachend gezicht.’ Wat moest ik? Ik kon moeilijk binnenkomen en hem in elkaar slaan, er zat niets anders op dan te gaan zitten en hem aan te horen.

          Hij vertelde me dat ze van jongs af in hetzelfde dorp waren opgegroeid. Vanaf hun zevende of achtste jaar gingen ze samen de bergen in om er brandhout te sprokkelen, ze waren samen naar school geweest en op hun zeventiende of achttiende verloofden ze zich met toestemming van hun ouders. Later was hij bij het leger gegaan, ze hadden afgesproken dat ze zouden trouwen na zijn demobilisatie. Maar in de tussentijd werd hun streek geteisterd door natuurrampen, haar vader overleed tot overmaat van ramp aan een ziekte en zijn familieleden konden al amper rondkomen, laat staan dat ze voor anderen zorgden. Daarom zat er voor haar niets anders op dan weg te gaan en een beroep te doen op haar tante. Hoewel haar tante op de hoogte was van hun situatie, had ze, omdat ik goed werk en een hoog inkomen had en een woonvergunning kon regelen, haar nichtje gewoon gedwongen met me te trouwen. Omdat ze inzag dat ze niet langer bij haar tante kon blijven en omdat haar verloofde duizenden mijlen ver was, had het meisje ineens niet meer geweten wat ze wilde en was met me getrouwd. Ze had hem echter verteld dat ze elk uur en elke minuut aan hem dacht.

          Hij zei: ‘We zijn allemaal jong, dus laat ik er geen doekjes om winden. Ik ben gekomen omdat ik wil dat ze van jou scheidt en om haar weer mee te nemen. We gaan of naar huis, of we zoeken hier in Xinjiang werk – in de drie maanden dat ik hier nu ben, heb ik wel gezien dat je het hier in Xinjiang goed hebt. En zij... hoewel ze niets voor je voelt, zegt ze dat je een goed mens bent en dat ze je geen pijn wil doen, dus ze zit in een lastig parket. De laatste tijd ben ik de zaken wat anders gaan zien. Aangezien wij alledrie verkeerde keuzes hebben gemaakt, zal ik me maar terugtrekken. Maar ik wil dit tegen je zeggen: Ten eerste: wij hebben achter je rug om niets gedaan wat het daglicht niet verdragen kan, en ten tweede: mijn verloving met haar kwam eerst, daarna trouwde jij met haar; ik heb zeventien, achttien jaar met haar gedeeld, jij pas een half jaar; jullie zijn getrouwd zonder dat jullie iets voor elkaar voelden, en hoe diep zijn jullie gevoelens nu? Maar wij zijn verloofd op basis van onze liefde voor elkaar, en in de drie jaar dat ik in het leger zat ging er geen dag voorbij of ik dacht aan haar. Dus als je wilt dat ik haar ineens van me afzet en vergeet, dan is dat niet mogelijk. Als je dat kunt begrijpen, kun je me ook vergeven. Als je me niet vergeeft, geef me dan maar een pak rammel, maar ik sla wel terug, want ik heb niets onbetamelijks gedaan, ik vind zelfs dat ik erg redelijk ben!’

          Dat is in het kort wat die jongen vertelde. Al pratend haalde hij vanonder zijn kussen een hemd, een klein zakje, katoenen schoenen en sokken te voorschijn die zij voor hem had gemaakt om haar gevoelens voor hem te tonen. Dat waren waarschijnlijk aandenkens die men in het noorden van Shaanxi gaf als bewijs van liefde. Terwijl ik hem aanhoorde en die stapel kleurige voorwerpen bekeek, voelde ik jaloezie in me opkomen – ze had nog nooit zoiets voor mij gemaakt. Maar nu ik wist dat ze mij een goede vent vond, voelde ik me ook warm vanbinnen – ze had het achter mijn rug om gezegd en ze meende het. Ik had haar goed ingeschat, ze was inderdaad geen frivole vrouw, maar een serieuze vrouw die liefdevol en plichtsgetrouw was. Het was alleen jammer dat die liefde en dat plichtsgevoel niet voor mij bestemd waren.

          Toch was mijn woede nog niet helemaal bekoeld. Ik zei: ‘Je zegt dat jullie niets hebben gedaan dat het daglicht niet kan velen, waarom ging je er dan vandoor zodra je me zag?’

          Hij kleurde. Hij zei: ‘Je had een knots van een moersleutel in je hand, ik was bang dat je er in je woede iets mee zou doen.’

          Ik zei: ‘Was je dan niet bang dat ik haar iets zou aandoen? Je zegt nog wel dat je van haar houdt!’

          Met gebogen hoofd mompelde de jongen: ‘Ik stond de hele tijd buiten de deur...’

          Terwijl we zo praatten, duwde zij haastig de deur open en kwam binnen. Ze zal gedacht hebben dat we slaags waren geraakt. Toen ze zag dat we daar rustig zaten, slaakte ze een zucht van verlichting. Toch begon ze, leunend tegen de schoorsteen, weer te huilen. Nu huilde ze hardop, het klonk heel droevig.

          De jongen en ik zeiden niets meer, in het kleine lemen huisje was alleen haar gehuil te horen. Al luisterend dacht ik ineens aan die twee meisjes in Weiya. Hoe zou het hun zijn vergaan als zij in een situatie als deze terecht waren gekomen? Ik vermoedde dat zij net zomin als mijn vrouw geweten hadden wat te doen, ze zouden ook inschikkelijk met een willekeurige man zijn getrouwd om wat zekerheid te hebben, en dan zouden ze wel verder zien. Had zij iets verkeerds gedaan? Nee, in feite niet. Ik weet niet waarom, maar op dat moment dacht mijn warrige brein alleen aan die tijd toen in Weiya.

          Pas na een hele tijd zei ik ten slotte: ‘Laat maar, huil maar niet meer. Het is nu eenmaal zover gekomen. Het is nu heel duidelijk, je kunt maar met een van ons tweeën verdergaan. Beslis maar, met wie ga je mee?’

          Ze bleef huilen en zei niets. Ik denk dat ze al haar tranen voor dit leven toen heeft vergoten. Na een poosje riep de jongen haar snikkend bij haar voornaam: ‘Blijf maar bij hem. Nu ik hier ben en gezien heb dat je een goed leven leidt, ben ik gerust. Voor ons heeft het niet zo mogen zijn, we zijn voor niets een poos samen geweest, maar we moeten het verleden maar laten voor wat het is.’

          Toen hij was uitgesproken, huilde ze nog harder, het was nu meer een soort brullen. Was dat dan niet duidelijk genoeg? Waarom zou ik haar nog langer kwellen? Ik kreeg nog meer medelijden met haar. Het was alleen jammer dat ik de dupe was. Ik zei: ‘Haar houding is heel duidelijk. Als ze bij mij blijft, heeft zij het er moeilijk mee, ik heb het er moeilijk mee en jij ook. Ik ben net zoals jullie vanuit het oosten hierheen gekomen om mijn geluk te beproeven. Ik heb dit soort zaken al vaak gezien, maar ik vind het alleen spijtig dat ik nu zelf het slachtoffer ben. Maar China is groot, en zolang jullie bereid zijn hard te werken, zal er een uitweg zijn. Het zal jullie hier steeds beter gaan. Jullie moeten maar bij elkaar blijven.’

          Toen ik was uitgesproken, hield ze op met brullen, en na nog wat nasnikken bedaarde ze langzaam. Hoewel ik een bevrijd gevoel had, alsof ik een last van me af had gezet, kon ik mijn tranen toch niet bedwingen bij de gedachte dat ik haar liefde niet had kunnen winnen; als ik aan mijn eenzaamheid dacht, vond ik dat mij onrecht was aangedaan en voelde ik me ellendig. Zo huilden we daar met ons drieën in dat kleine huisje.

          De scheiding was snel geregeld. Er werd van alles over ons gezegd, maar ik trok me er niets van aan. Als er zoiets op je afkomt, ben jij degene die zelf de beslissingen moet nemen. De middag dat ze al haar spullen had gepakt en op het punt stond weg te gaan, aarzelde ze nog. Ze kookte nog een laatste maaltijd en zei zacht: ‘Eventueel kan ik hier nog één nacht blijven...’

          Dat waren de enige lieve woorden die ze tegen me heeft gezegd. Ik begreep wat ze bedoelde. Ach, boerenvrouwen kunnen alleen zo hun dankbaarheid tonen. Maar het zou niets meer zijn dan dat. Ik zei: ‘Dat hoeft niet. Ik ben uit op je hart, niet daarop. Blijf maar fijn bij hem en zorg dat je hem niet weer kwijtraakt. Hoewel we in het vervolg geen echtgenoten meer zijn, zijn we nog wel vrienden. Als er iets is, weet je me te vinden...’

          Zij waren echt een stel dat van aanpakken wist. In de eerste tijd woonden ze in dat lemen huisje met zijn eigenaardige vorm en maakten er zongedroogde stenen om te verkopen. Nu het de afgelopen drie jaar is toegestaan een privé-bedrijfje te hebben, zijn ze een eetstalletje begonnen, waar ze exclusieve hapjes uit het noorden van Shaanxi verkopen. Ze hebben gefermenteerde kleefrijst, met schapenvlees gevulde noedels, die ze platte hapjes noemen, als je ze bestelt gaan ze in de pan, ze gooien er hete pepertjes en wat azijn bij; er zijn met schapenvlees gevulde gebakken koeken, met dadels gevulde koeken en ook nog in olie gedraaide koeken; ze hebben boekweitpasta die er heel donker uitziet, als je daar een kom van wilt, snijden ze de pasta in stukjes en doen er schapenleversoep en gehakte knoflook bij en reiken je dat aan. Hun zaak loopt volgens mij nog beter dan de kebabstalletjes van de Oeigoeren, ze hebben nu al enige duizenden kuai gespaard. Ik krijg natuurlijk veel van ze. Ook al wil ik dat niet, als ze weten dat ik mijn wagen geparkeerd heb, komen ze me wat brengen. Tussen mijn gezin en dat van hen is regelmatig contact. Telkens als mijn vrouw in Ürümqi is, wil ze daar boekweitpasta eten. Ik raad je aan het ook eens te gaan proeven, het is heerlijk! Hun stalletje staat naast het ‘Honderd Bloemendorp’ van het regiment.

          Genoeg uitgeweid, laat ik de draad van het verhaal weer oppakken.

          Toen mijn leraar uit het oosten terugkwam en hoorde wat er was gebeurd, gaf hij zijn vrouw opdracht om speciaal wat lekkere gerechten te koken en liet mij toen komen. Hij zei: ‘Ik had het goed gezien toen ik jou als leerling van de weg plukte. Je hebt dit goed gedaan. Zo moet je door het leven gaan!’

          Toen ik twee kommen drank op had, werden mijn ogen rood. Ik wist niet waarom, maar voelde nog altijd dat me onrecht was aangedaan. Mijn leraar zei nog: ‘Til er niet te zwaar aan. Zij hoorde eigenlijk een ander toe, niet jou, je hebt haar gewoon teruggegeven, niet meer. Als je denkt dat ze de jouwe was en dat je haar hebt afgestaan, zit je ernaast.’

          Ik zei: ‘Daar denk ik niet aan. Ik heb het gevoel dat ik nooit beloond word voor mijn goede daden.’

          Mijn leraar zei: ‘Dan zit je er nog verder naast. Als je iets goeds doet in de verwachting dat je beloond zult worden, is je instelling toch niet zuiver. Een goede daad is toch geen koopwaar!’

          Hij had gelijk. Toen hij mij, een kansloze zwerver, destijds aannam als zijn leerling, dacht hij er uiteraard niet over na of ik hem zou terugbetalen. Vrachtwagenchauffeurs zijn niet als fabrieksarbeiders, als we onze opleiding hebben voltooid, gaan we ieder ons weegs. Hij had een heel stel leerlingen, je kon ze in heel Xinjiang vinden. Sommige zochten hem nog op als ze in Ürümqi waren, anderen hadden hun vleugels ver uitgeslagen en lieten hun gezicht niet meer zien. Hij had daar nooit een punt van gemaakt, het was je eigen zaak of je kwam. Toen ik zo over zijn instelling en zijn opvattingen nadacht, kon ik me neerleggen bij mijn scheiding.

          Meneer, ik kan u wel zeggen dat het iets heel anders is of je als man alleen een huwelijk achter de rug hebt of dat je niets anders kent dan je vrijgezellenbestaan. Hoe zij verder ook was, vroeger had ik bij mijn thuiskomst altijd wat te eten en te drinken, mijn kleren waren altijd schoon en ik was zelf ook veel energieker. Na haar vertrek had ik geen vastigheid meer, ik voelde me leeg en wist niet wat ik moest doen. Het leek alsof ik neerslachtig en apathisch was geworden. Ach meneer, weet u hoe wij leven, wij langeafstandsrijders? Je bent het hele jaar, in alle seizoenen, op pad, je slaapt vaker in een hotel dan thuis. Vandaag deel je je kamer met dit groepje, morgen met dat; de dekbedden in de hotels zijn vuil en plakkerig en in de lakens hangt altijd de stank van gore voeten. Chauffeurs met een gezin hebben iets om naar uit te zien: dat ze onderweg wat moeten afzien geeft niets, want zodra ze hun wagen geparkeerd hebben, kunnen ze naar huis! Als ik naar huis ging, wachtte daar niets dan koude pannen en een koud fornuis, ik moest dan nog naar een eettentje om iets warms te kunnen eten. Onderweg zag ik vaak dat sommige chauffeurs stopten om van boeren langs de wegkant knoflook te kopen, of hete pepers, of kippeneieren, en dan benijdde ik ze en was jaloers! Kijk! Zij hadden een gezin. Ook al kocht ik iets moois onderweg, of verse groenten, ik kon ze aan niemand geven.

          Had ik spijt? Zo kun je het niet noemen. Als ik naar huis ging, zag ik ze soms samen op het lege veldje voor het ketelhuis stenen maken. Hun gezichten waren een en al zweet, maar straalden ook van het lachen, ze zwaaiden naar mijn wagen. Dan had ik een gevoel dat tegelijk warm en bitter was, ik kan het niet precies benoemen, maar het was geen spijt.

          Later, naarmate er meer tijd verstreek, begon ik het langzaam te vergeten en raakte ik weer gewend aan het leven alleen. Meneer, ons beroep biedt zeker pluspunten: we kunnen veel van de wereld zien en Xinjiang is en blijft tenslotte geweldig. Als je in de lente langs het Sairam-meer rijdt en het donkerblauwe water ziet, de grote witte zwanen die net komen aanvliegen, als je de berghellingen ziet, begroeid met Kirgizisch stekelriet en kleine irissen, en de pijnbomen als pagodes die kaarsrecht in de dalen staan, dan verdwijnen al je zorgen. Als je in de zomer voor het eerst weer met open raam kunt rijden, zodat de wind van het Tian-gebergte door de wagen blaast, ben je meteen vol hoop en heb je weer energie...

          Ah, we zijn nu op de top aanbeland, van hieruit gaat het weer omlaag. Omhoog is makkelijker dan naar beneden. Maakt u zich geen zorgen, ik ken deze weg op m’n duimpje...

          Wilt u nog meer horen? Hoe ik voor de tweede keer ben getrouwd? Vooruit, zolang u maar niet in slaap sukkelt. Die geschiedenis heeft trouwens ook wel iets grappigs, want het gebeurde op een moment dat ik helemaal niet aan trouwen dacht...

          Er waren twee jaar voorbijgegaan, toen ik op een keer dezelfde route reed als nu. Het waaide die dag heel hard, het woestijngrit sloeg krassend tegen de ruiten en het zicht was nog geen vijf meter. Ik was voorbij Kümüx en was net de Iepengeul ingeslagen, de zon was al achter de bergen gezakt. Aan weerszijden van de Iepengeul waren steile kliffen, waartussen een beekje stroomde met daarnaast een hele rij Chinese iepen. Ik weet niet hoe oud ze waren, ze waren enorm groot, met verwrongen stammen vol knoesten, wat de bomen een groteske, vreemde aanblik gaf. Hun kruinen werden in de wind heen en weer geblazen, alsof ze dronken waren. Toch was de wind daar veel minder sterk, door het water en de bomen was er geen stuifzand en was het zicht goed.

          Langzaam reed ik met de wind mee. In de verte zag ik een vrouw langs de wegkant zitten. Ze had een grijze hoofddoek omgeslagen en drukte een kind tegen zich aan. Ze droeg een gewatteerde jas en had het kind onder de omslag daarvan gepakt, zodat ze er plomp uitzag. Ik kon niet zien hoe oud ze was. Naast haar stonden nog twee tassen. Ik dacht dat ze mee wilde rijden en nam nog wat gas terug. Maar toen ik langs haar reed, stak ze haar hand niet op om te zwaaien, ze wierp slechts een blik door mijn raampje.

          Ik reed haar voorbij. Maar die blik flakkerde over mijn gezicht als een verblindend flitslicht, zodat haar gezichtsuitdrukking op mijn netvlies bleef geprent. Wat school er in die blik? Zowel argwaan en angst als hoop en verlangen. Ik was haar al een goede twintig, dertig meter voorbij, maar ik voelde me niet gerust, alsof zij een pak goederen was dat van mijn wagen was gevallen – ik kon niet verder rijden als ik haar niet meenam.

          Ik stopte de wagen. Toen ik het portier opende, merkte ik hoe hard het waaide. Het portier werd er bijna af gerukt. Mijn pet stevig vastklemmend rende ik tegen de wind in naar haar toe en vroeg: ‘Waar wil je heen?’

          Ze zei dat ze naar Shorbulak wilde. Ik zei: ‘Waar wacht je dan op? Stap in.’

          Angstig nam ze me op. Toen pas kreeg ik het vermoeden dat ze een opgeleide jongere uit Shanghai was. Ze droeg niet zomaar een gewatteerde jas, maar een in die tijd zeer modieuze staalgrijze parka. De sjaal die ze half over haar gezicht had getrokken was van wol. Het kind dat ze tegen zich aan gedrukt hield, was destijds pas vier jaar, zijn tere, witte gezichtje was blauwpaars van de kou. Hij zat daar begraven in zijn moeders jas en staarde me met grote, angstige ogen aan.

          Op dat moment trok er weer een windstoot door de geul heen, zodat de oude iepen ervan suisden. Ik had mijn jas niet aan en rilde van de kou. Ik spoorde haar voortdurend aan om in te stappen. Ze bleef maar aarzelen en omhelsde het kind nog steviger, alsof ik haar wilde beroven.

          Ik begreep waarom ze niet wilde instappen. Ach meneer, ik zal u eerlijk zeggen dat je ook verdorven chauffeurs hebt, die een vrouw alleen die ze een lift hebben gegeven een eindje meenemen tot ze een heuvel of een groot stuk woestijn bereiken, en dan zeggen dat de wagen het heeft begeven. Ze blijven daar staan en de vrouw kan hemel en aarde bewegen, ze moet zich laten welgevallen dat hij haar misbruikt en zijn lust bevredigt. Andere chauffeurs nemen graag een meisje of een vrouw mee, zonder verder kwade bedoelingen te hebben, ze willen dan alleen onderweg wat grapjes maken en wat plezier hebben. Opgeleide jongeren uit Shanghai zijn allemaal heel slim. Als ze van familiebezoek terugkeren naar zuidelijk Xinjiang, stappen ze doorgaans in Daheyan uit de trein, en om geld te besparen liften ze de rest etappe voor etappe. Als het gaat om een echtpaar of een groepje, laten ze altijd de vrouw een auto tegenhouden. Als de auto gestopt is, klimt de man pas uit de greppel waarin hij zich verborgen had gehouden. Dat geeft al aan wat voor mensen wij chauffeurs zijn in de ogen van de opgeleide jongeren uit Shanghai. Die vrouw zat vast te wachten op een reguliere bus of op een wat oudere chauffeur, of ze wachtte tot er een auto zou komen met nog een vrouw in de cabine. Op mij, een jongeman die alleen reed, had ze het niet begrepen.

          De wind ging steeds heviger tekeer, de zon was nu helemaal achter de bergen gezonken en de heen en weer bewegende takken van de iepen waren één grote schimmige vlek geworden. Als ze niet met mij meeging, zou ze moeilijk een andere lift vinden. Haastig trok ik mijn rijbewijs uit mijn uniform en zwaaide dat even onder haar ogen met de woorden: ‘Als je me niet vertrouwt, mag je mijn rijbewijs hebben en het bij je houden. De laatste gewone bus is al voorbij, een volgende wagen neemt je misschien niet eens mee, en trouwens, er zullen nu ook geen wagens meer komen, dat weet ik. Als je het niet voor jezelf doet, doe het dan voor je kind, kijk dan hoe koud hij eruitziet! Stap nou maar snel in!’

          Ze nam mijn rijbewijs niet aan, maar keek even ongerust naar het kind. Daarna keek ze mij aan met toegeknepen ogen en stond toen op met een houding die aangaf dat het dan maar zo moest zijn. Ik hielp haar de tassen te dragen en duwde hen haastig de cabine in.

          Ik heb veel mensen meegenomen, ook heel wat kinderen van drie tot vijf jaar. Kinderen van die leeftijd zitten nooit eens stil in de cabine, als ze niet spelen met de versnellingspook komen ze wel aan het dashboard, en anders zitten ze wel luid roepend en schreeuwend naar buiten te kijken. Dit kind gaf vreemd genoeg geen kik, hij zat daar maar onbeweeglijk tegen zijn moeder aan. Na een poosje werd het ineens donker: in Xinjiang gaat dat altijd van het ene moment op het andere. Het kind begon hevig te hoesten. De moeder raakte ook in paniek. Zonder ophouden streelde ze het kind en drukte hem nog steviger aan haar borst. Ik nam mijn voet van het gaspedaal om even te luisteren. Het kind hijgde verschrikkelijk. Toen ik mijn hand uitstak om zijn voorhoofd te voelen, brandde dat onder mijn hand! ‘Dat is niet best,’ zei ik, ‘hij is heel ziek!’

          De vrouw zei niets tegen me maar begon ineens zacht te snikken. Het kind hijgde, de vrouw huilde, dus trapte ik brandend van ongerustheid het gaspedaal in. Voor ons doemden op de heuvel de her en der verspreide lichtjes van Uxxaktal op. Uxxaktal is een klein dorp met niet meer dan drie of vijf gezinnen. ’s Avonds stoppen vrachtwagenchauffeurs daar vaak om er de nacht door te brengen. Ik stopte echter niet en scheurde door het dorp met zijn paar lemen huizen en de enkele rij gastverblijven.

          ‘Stop! Stop!’ begon de vrouw uit Shanghai ineens hard en ontzet te roepen, terwijl ze hard op het portier bonsde.

          Ik zei: ‘Wees maar niet bang. We moeten nu snel een ziekenhuis zien te vinden. Uxxaktal ken ik beter dan jij, hier vind je nog geen blotevoetendokter.’

          Al schreeuwend en huilend stak de vrouw haar hand uit om aan mijn arm te rukken. ‘Hou je erbuiten! Hou je erbuiten! Hou je erbuiten! Ik wil dat je stopt! Ik wil dat je stopt!’

          Omdat zij mijn ene arm vasthad, kon ik maar met één hand sturen. Er kwam nog een bocht aan ook. Gespannen zei ik: ‘Wees niet bang! Ik zeg je dat je niet bang hoeft te zijn, ik heb niets kwaads in de zin. Echt niet...’ Het speet me dat ik mijn oorkonden niet bij me had, anders hadden die ook kunnen helpen.

          ‘Nee! Nee!’ Ze bleef gillen van paniek. ‘Waar neem je me mee naartoe? Ik smeek je, stop! Ik smeek je, stop!...’

          We waren haast bij de bocht. Aan de ene kant had je de berg, aan de andere kant een diep ravijn. Niet een situatie waar je luchthartig over kon doen! Ik worstelde om mijn arm los te trekken, maar zij bleef hem vastknellen, alsof ze zo ook de wagen tot staan zou kunnen brengen. Woedend schreeuwde ik: ‘Zou ik soms niet in Uxxaktal willen rusten? Ben jij soms als enige moe en uitgeput? Nu moet ik jullie helemaal naar het ziekenhuis in Karaxahar brengen... ik smeek je, laat los... laat los, ik pak even iets voor je!’

          Waarschijnlijk had ze in het licht van de koplampen ook gezien dat het er voor ons gevaarlijk uitzag, want ze liet los. Ik nam de bocht vloeiend en pakte vanonder mijn stoel een theebeker van wit porselein. Nog natrillend zei ik: ‘Zie je, dit is een prijs die ik heb gehad... Ik zeg je dat ik niets kwaads in de zin heb. Wees maar gerust, houd je kind goed vast... ik smeek je, ga niet meer zo tekeer.’

          Ongetwijfeld was mijn gedrag volkomen belachelijk. Wat kon die witte porseleinen theebeker nu bewijzen? Er stond niet meer op dan dat ene woord ‘prijs’ in rode verf. Haast iedereen bezat dit soort dingen, het kon niets bewijzen. Maar of die theebeker nu inderdaad effect had of dat die opgeleide jongere besloot zich aan haar lot over te geven, ze bedaarde uiteindelijk en omarmde haar hoestende en hijgende kind stevig, zodat ik kalm naar Karaxahar kon rijden.

          Jij weet net zo goed als ik dat het destijds makkelijker was een naald van de bodem van de zee op te vissen dan in een ziekenhuis een dokter te vinden. Ik reed met mijn wagen door de uitgestorven straten van Karaxahar op en neer en ging langs een ziekenhuis en twee praktijken. In de huizen was wel licht aan, maar de dienstdoende arts was niet te vinden. Ik schreeuwde mijn keel schor zonder dat er iemand reageerde en we verspeelden zo wel bijna een uur.

          ‘Verdomme! We gaan!’ Kwaad klom ik in de cabine. ‘We gaan naar Korla! Daar ken ik een dokter.’

          Het kind ademde steeds zwakker, zijn voorhoofd was gloeiend, maar toch huiverde hij, hij was al buiten bewustzijn. De vrouw huilde maar, de blauwe lantarenlichten schenen op haar kristalheldere tranen. Ze was volkomen op en verzette zich niet tegen mijn voorstel.

          Ik trapte het gaspedaal hard in en vloog zo’n beetje naar Korla. Onderweg hoorde je alleen het schrille huilen van de wind in de kieren, de weg voor me leek rechtop te staan en klapte toen vlak voor ons weer plat op de grond; pikzwarte, vage schimmen aan weerszijden van de weg flitsten langs. Er waren al geen wagens meer op de weg, niemand belette me op topsnelheid te rijden. Ik had nog nooit zo hard gereden, ik voelde alleen maar hoe de voorwielen in mijn handen op en neer dansten alsof ze er elk moment af konden vliegen. Ik kwam niet meer aan roken toe, mijn handpalmen werden glad van het zweet en ik was bang dat ik het stuur zou laten glippen.

          We reden over de Hela-bergen en waren bij de rivier de Konqi, toen het water in de tank ging koken, de wagen brieste en snoof, als een paard dat is voortgejakkerd tot het buiten adem is. Ik sprong de auto uit en zei: ‘Wees niet bang, we zijn al haast bij Korla.’ Intussen pakte ik een hamer, sloeg daar een klomp ijs mee kapot en strooide de stukken gehakt ijs in de radiator.

          Toen ik de wagen zo in het holst van de nacht in de wildernis stilhield, werd de vrouw weer bang. Op haar zitplaats omarmde ze het kind en deinsde ineen, met het kind dicht tegen zich aan. Ik had het grote licht niet uitgedaan en probeerde alles zover mogelijk van haar vandaan te doen. Toen ik weer instapte, leek ze opgelucht uit te ademen en vroeg me voor het eerst, alsof ze me echt vertrouwde: ‘Zullen we in Korla een dokter kunnen vinden?’

          Ik zei: ‘Geen probleem!’

          Meneer, als iemand je eenmaal vertrouwt, voel je je gedwongen om die persoon zo goed als je kunt te helpen. Ik dacht bij mezelf, ook al zit die dokter in het rookkanaal van de kang, dan nog trek ik hem eruit!

          Tegen de tijd dat we in Korla aankwamen, werd het al ochtend. Ik reed niet naar het ziekenhuis maar vloog rechtstreeks naar het huis van de dokter die ik kende, om daar aan te kloppen.

          Na eindeloos geklopt te hebben, vroeg de dokter slaperig en ontstemd: ‘Wie is daar?’

          Ik zei: ‘Ik! Ben je me vergeten?...’

          Hij kwam uit Sichuan. Toen hij het jaar daarvoor van familiebezoek terugkeerde, had hij palmhouten koffers, bamboemanden en houten meubels bij zich. Alles was in Daheyan neergekwakt, waar hij geen vervoer kon vinden. Het zag ernaar uit dat het weer zou omslaan en hij was zo nerveus dat hij in kringetjes rondliep. Ik was degene die hem thuisbracht. Hij liep over van dankbaarheid en wilde me per se iets geven, maar ik wilde er niet van horen. Daarop zei hij dat ik hem later moest opzoeken als ik ergens mee zat, hij zou me absoluut helpen. Nu kwam dat aanbod inderdaad goed van pas.

          Toen hij zich had aangekleed en de deur had open gedaan, vroeg hij verward: ‘Van wie is dat kind? Is dat jouw kind?’

          Met een blik op de vrouw in de wagen zei ik: ‘Ja, het is mijn kind! Schiet een beetje op!’

          De dokter was nu echt wakker, hij verzamelde zijn krachten en haastte zich om de dienstdoende arts, een verpleegster en een apotheker te vinden, en ten slotte kreeg hij moeder en zoon in een zaal geïnstalleerd.

          Voor mij viel er niets meer te doen. Ik reed naar het Tweede Gasthuis, vulde het water bij en zocht een kamer om een dutje te doen. Zodra het helemaal licht was, ging ik op weg naar Aksu.

          Een week later kwam ik uit Kashgar terug. Hoewel ik verder niets met deze zaak te maken had, vond ik dat ik op zijn minst de dokter hoorde te bedanken. Met vijftig pond van de beroemde geurige rijst uit Aksu ging ik bij hem langs.

          Zodra de kleine dokter me zag, wees hij naar mijn neus en begon te lachen. ‘Jij hebt het wel bont gemaakt!’ zei hij. ‘Die ouwe trien uit Shanghai kent je helemaal niet, zegt ze, maar je wilt wel de vader van haar kind zijn! Men zegt ‘Mannen die werken op wagens, schepen en in herbergen – je bent ze liever kwijt dan rijk!’ Je hebt me voorgelogen en mijn nachtrust verpest.’

          Ik verontschuldigde me uitgebreid en vroeg hoe het met het kind was gegaan.

          Hij plaagde me lachend: ‘Je zoon is weer beter, morgen mag hij het ziekenhuis verlaten.’

          Na het uitladen had ik ’s avonds niets te doen. Terwijl ik luisterde hoe de andere gasten van het gastenverblijf wat op een huqin speelden en wat stukjes modelopera zongen, was ik net zo ontstemd als de snaren van de qin, en voelde ik me rusteloos. Dan moest ik maar naar het kind gaan kijken.

          Met twee blikjes conserven liep ik de zaal binnen en zag haar meteen naast haar zoon zitten. Het kind lag op bed en was al gebarend vrolijk tegen haar aan het praten. Nu zag ik haar pas goed. Ze was beslist geen ouwe trien, hoogstens zes-, zevenentwintig. Ze had twee grote ogen, een vale huidskleur en ze zag er nog wat overstuur uit. Toen ze zich voorover boog om naar het kind te kijken, ontdekte ik dat ze een tedere en lieve vrouw was, totaal anders dan toen ze die avond als een gek mijn arm had vastgeklemd.

          Ze keek op en zag me bij het bed. Haar ogen lichtten ineens op, en ongemakkelijk zei ze: ‘Mijn excuses voor die avond. Ik had... al zoveel pech gehad dat ik er bang van was geworden.’

          Ik zei: ‘Dat geeft niet! Hoe is het met je kind?’

          Ze zei: ‘Hij had acute longontsteking. De dokter zei dat het maar net op het nippertje was. Als jij er die avond niet was geweest...’

          Haar hele gezicht straalde dankbaarheid uit en haar ogen waren ook een beetje vochtig. Ik raakte erdoor van slag en boog mijn hoofd om wat grapjes te maken met het kind.

          Het was duidelijk dat hij in Shanghai had gewoond, hij sprak Shanghainees, zijn huid was fijn en blank en hij was sprekend zijn moeder. Toen we even hadden gespeeld, vroeg ik hem: ‘Wat wil je later worden?’

          Woord voor woord zei hij: ‘Mijn – moeder – zegt – dat – ik – later – net – zo’n – chauffeur – moet – worden – als – u!’

          Het was alsof er ineens azijn in mijn neus werd gedruppeld, mijn ogen sprongen vol tranen. Om te zorgen dat ze er niet uit zouden rollen, wendde ik mijn hoofd af en deed alsof ik even hard moest lachen. Hij had me meer ontroerd dan wat voor oorkonde of lovende woorden ook. Het leek of een teer, zacht handje mijn hart kneedde en alles wat ik in mijn hart had eruit kneep, waardoor mijn woorden in één klap stokten in mijn keel en ik niets meer kon uitbrengen.

          Het kind had zijn kleine vingers in die van mij gehaakt en vroeg honderduit. Ik gaf zonder na te denken antwoord, maar ik voelde me verantwoordelijk voor dit kind, alsof hij mijn eigen zoon was. Ja, hij wás mijn zoon! Waar zou hij later allemaal voor komen te staan? Zou hij, afkomstig uit die grote stad aan de rivier de Huangpu, kunnen wennen aan deze zandwoestijn, waar een druppel water zo kostbaar was als olie? Ik wist precies hoe in Shanghai opgeleide jongeren hier leefden. De allereerste groep opgeleide jongeren uit Shanghai die naar zuidelijk Xinjiang gekomen was, was door onze brigade vervoerd. Het waren allemaal jongens en meisjes van zeventien à achttien jaar. In de wagen hielden ze de rode vlag omhoog, zongen en lachten; toen ze de zoutwoestijn zagen dachten ze dat het ’s zomers ook sneeuwde, en bij het zien van ezels waren ze weer vreselijk uitgelaten. Het jaar daarop had je er die naar huis gingen op familiebezoek en die in mijn wagen vreselijk begonnen te huilen. Nadat ze er zeven, acht jaar hadden gezeten waren ze niet langer jong, ongeveer van haar leeftijd, en in de ogen van anderen waren ze al ‘oud’ geworden. Toch woonden ze nog steeds in hutten gegraven in de grond, aten ze nog steeds gezouten groente en dronken nog steeds het water dat zich verzamelde in grote regenbakken... Ach, dat weet u als verslaggever ook allemaal. Destijds had ik me niet kunnen voorstellen dat er een Bende van Vier zou komen, en ik had me al helemaal niet kunnen indenken dat de Bende van Vier omver geworpen zou worden, ik dacht dat zij zo ellendig zouden verder leven, en in dat geval had je kunnen voorspellen wat het lot van die jongen hier zou zijn geweest.

          ‘Jullie gingen toch naar Shorbulak?’ zei ik. ‘Ik zal jullie morgen brengen!’

          Zij kleurde en zei met gebogen hoofd: ‘Ligt dat wel op je weg? Ik wil je niet nogmaals tot last zijn...’

          Ik zei: ‘Maak je daar nou maar niet druk over. Pak je spullen morgen en wacht dan op me.’

          In feite had het jongetje mijn hart vastgehaakt met zijn vingertjes. Ik had bedacht dat ik met hem mee zou gaan om zijn vader te ontmoeten en met hem bevriend te raken. Als ze later problemen zouden hebben, zou ik ze kunnen helpen.

          De volgende dag ruilde ik mijn lading met een collega, hij nam de rietmatten uit Bagrax naar Ürümqi, ik vervoerde zijn lading kunstmest naar het zuiden, naar Lopnur.

          Ik haalde ze op bij het ziekenhuis. Ze hadden al gepakt. Haar ronde gezicht, ingepakt in de wollen sjaal, lachte, haar ogen straalden. Het kind stak zijn armen uit omdat hij door mij gedragen wilde worden en keek daarna nog even naar de zuster om ‘dag tante’ te zeggen. Ah, wat stond er die dag een prachtige zon! Ik had nog nooit zo’n vrolijke dag gehad, het was alsof ik mijn vrouw en onze pasgeboren baby uit het ziekenhuis haalde en mee naar huis nam.

          Eenmaal op pad was het kind nog levendiger. Hij was inderdaad als andere kinderen, nu eens zat hij aan de pook, dan aan het dashboard; hij had nog nooit in een vrachtwagen gezeten, alles was nieuw en hij stelde onafgebroken kinderlijke vragen. Voor het eerst had ik het idee dat mijn kleine cabine vol levenslust was, en voor het eerst kwam ik er net als het kind achter hoe interessant de dingen waren die ik elke dag bediende. De motor liep die dag ook buitengewoon soepel, het leek wel of hij zong, en de veerkracht van de harde zittingen was ook ineens beter, als ik even veerde zou mijn hoofd pardoes tegen het dak schieten.

          Even over tienen kwamen we in Qongkol aan. Toen ik de kunstmest had uitgeladen, kocht ik een paar broden, deed het portier dicht en zei: ‘Goed, en nu naar Shorbulak!’

          Ik weet niet of u die route weleens hebt genomen. Hij loopt geleidelijk dieper het Tarim-bekken in, dat wil zeggen langs de rand van de Taklamakan-woestijn. Veel stukken zijn regelmatig bedolven onder het zand, alleen uit de wagensporen kun je nog afleiden dat hier een weg loopt. De plaatsen in dit gebied hebben namen als Akrabulak, Biratarbulak en Kumbulak... dat ‘bulak’ betekent ‘bron’. Nu moet je niet denken dat er daar een overvloed aan water is, eerder het tegenovergestelde: juist omdat water zo kostbaar is, kiest men dergelijke namen, net zoals in het droge gebergte in Gansu plaatsen vaak ‘Gelukkige samenstroom van water’, ‘Waterbekken’ en ‘Onuitputtelijke bron’ heten. Je kunt je dus wel voorstellen dat het langs die weg steeds onherbergzamer werd. In het begin zag je nog rijen van populieren en rode wilgen, maar na een poosje stak de wind op en was het buiten de ruiten één grote vlakte van bruin zand, de wagen leek door mist voort te rijden en buiten zag je niets meer.

          De wagen reed steeds langzamer. Het kind verveelde zich en was gaan slapen aan de borst van zijn moeder. De lach op haar gezicht was ook verdwenen. Ik zei: ‘Kom, laten we hem wat gerieflijker installeren.’

          Ik stopte en maakte achter de stoelen met kussens een holletje voor het kind, zodat hij daarin zou kunnen liggen, ongeveer alsof hij in een wieg lag. Achter mijn rug snurkte hij zacht, de zuchtjes die uit zijn neus en mond kwamen bliezen tegen mijn nek, ze kietelden maar gaven me ook een heel goed gevoel.

          In de eindeloze woestijn kroop onze wagen als een eenzaam klein insect voort. Daardoor ontstond er aan de buitenkant een onzichtbare druk, die ervoor zorgde dat de mensen in de auto vertrouwelijker met elkaar werden. We reden en reden, en op een gegeven moment slaakte ze een zucht en zei zo’n beetje tegen zichzelf: ‘Kijk, en hier ga ik dan naartoe.’

          Het was inderdaad vreselijk. Ik vroeg: ‘En zijn vader? Komt hij jullie in Tikanlik ophalen?’

          Even antwoordde ze niet, maar ten slotte zei ze plotseling: ‘Hij heeft geen vader.’

          ‘O?’ Ik was een beetje verrast, maar ook onverwacht blij. ‘Maar... hoe zit dat dan?’

          Ze glimlachte treurig naar me en zei vervolgens met gefronste wenkbrauwen: ‘Zelfs de mensen bij ons thuis weten er niets van... maar ik wil het toch aan iemand vertellen. Het blijft anders zo op mijn hart drukken...’

          Het bleek dat ze bij haar in de familie kapitalisten waren, ze had in 1964 eindexamen gedaan van de middelbare school, waarna de school hen met veel gongslagen en tromgeroffel op de trein had gezet. Zij was naar Xinjiang gekomen, vastberaden om zichzelf te hervormen en de grensgebieden te helpen opbouwen, toen ze hier pas was is ze nog onderwijzeres geweest. Maar in 1967 had een groep rebellen de macht gegrepen in hun regiment en die hadden haar naar de brigade gestuurd om te werken. Later werd ze uiteraard steeds meer gediscrimineerd. Op een dag had een rebellenleider die brigadehoofd was geworden zijn oog op haar laten vallen en haar opdracht gegeven om een geweer te pakken, en hij was met haar de woestijn in getrokken om op Mongoolse gazellen te jagen. Ze joegen op die gazellen om zo wat variatie aan te brengen in hun eten, elke week was er een jacht, maar alleen volkssoldaten met een goede klassenachtergrond waren gekwalificeerd om een geweer te dragen. Zij was destijds vreselijk opgewonden geweest, omdat ze in de veronderstelling verkeerde dat ze in de ogen van de boeren van de arme en middelklasse eindelijk ‘heropgevoed’ was, en ze ging een heel eind met die leider op pad. Het resultaat was dat hij haar in een bosje rode wilgen misbruikte. Niet lang daarna ontdekte ze dat ze zwanger was, maar omdat ze hem nergens kon aanklagen en er geen mogelijkheid tot abortus was, en ze al helemaal te gegeneerd was om het te zeggen, zat er niets anders voor haar op dan terug te keren naar Shanghai, waar ze geboorte had gegeven aan haar kind. Om haar ouders geen verdriet te doen had ze gelogen dat ze in Xinjiang was getrouwd. Ze had het kind aldoor bij haar ouders gelaten, tot men onlangs in Shanghai begonnen was met de campagne ‘Bekritiseer Lin Biao, bekritiseer Confucius’ en er dus weer een rode wervelstorm opstak, waarbij haar ouders uit hun huis waren gezet en naar het platteland waren verjaagd. Ze kon het niet verdragen hen nog langer met het kind op te zadelen en was hem nu net gaan ophalen.

          Ze zei: ‘Ik wil hem opvoeden, hij kan het ook niet helpen... Mijn studiegenoten zeiden me allemaal dat ik hem niet moest ophalen, maar ik wilde het toch. Ik heb al zoveel geleden, er kan niets zijn dat nog moeilijker is.’

          ‘En die rotzak?’ vroeg ik haar verontwaardigd. Nu begreep ik pas waarom ze die avond zo bang was geweest.

          Ze lachte bitter en zei: ‘Hij is allang naar een of ander regiment overgeplaatst, waar hij hoofd van de bewaking is geworden.’

          Dat soort zaken zie je vaak in het leven: je vertelt je geheimen aan iemand die er niets mee te maken heeft, een vreemde, net zoals ik hier vandaag met u zit te praten. Ze zei het heel kalm en afstandelijk, alsof het over een ander ging. Ik wist dat ze het meer aan zichzelf dan aan mij vertelde: ze wilde geen medelijden van mij, en was ook niet uit op nog meer hulp, ze wilde haar verleden opzij schuiven om de moeilijkheden van de toekomst beter aan te kunnen. Dat bleek uit haar toon.

          Hoewel ze heel kalm was, bleven haar woorden de volgende beelden voor mijn geestesoog oproepen: hoe ze naïef lachend met die jongen was meegerend, en nog dacht dat ze eervol een geweer mocht dragen... hoe ze daarna zo geschrokken was dat ze het geweer had weggegooid en schril riep... nog weer later, hoe ze het in de vrouwenslaapzaal op alle mogelijke manieren verborgen hield en haar hoofd niet kon opheffen... hoe ze daarna enkele duizenden kilometers op en neer had gereisd... en later... Ja inderdaad, ze woonden nog steeds in die hutten en aten nog steeds gezouten groente, maar kon je hun dat kwalijk nemen? Het was al knap dat ze het tot dusver zo gered hadden, dat was al dapper en heldhaftig genoeg. Ik draaide mijn hoofd om even naar haar ogen te kijken. Haar blik was heel afwezig, niet zoals die avond dat de tranen over haar wangen hadden gelopen. Ik geloofde dat ze zou kunnen doen wat ze gezegd had, in haar ogen bestonden er inderdaad geen moeilijkheden meer.

          Juist daarom kreeg ik onwillekeurig een gevoel van bewondering en medelijden voor haar, en bezorgd vroeg ik: ‘Waarom trouw je dan niet echt?’

          Ze zei dat er daar bij hen al geen ongetrouwde mannen uit Shanghai meer waren, maar ze wilde ook weer niet met een man uit een ander gebied trouwen, ook al waren er veel meisjes uit Shanghai die dat wel deden. Ze zei dat haar laatste kans om ooit nog te proberen naar Shanghai terug te keren verkeken zou zijn als ze met zo’n man trouwde.

          Ik raapte al mijn moed bijeen en zei: ‘Ik kom ook uit het oosten, en mijn ervaring is: of je een goed leven hebt ligt niet aan waar je leeft, maar aan met wie je dat leven deelt.’

          Ze lachte even en zei: ‘Dat is een cliché.’

          Ik zei: ‘In Pakistan heb je een spreekwoord: “Het is een cliché voor muizen om te zeggen ‘Zie je een kat, ga er dan gauw vandoor’, maar dat maakt het voor die muizen niet minder waar.”’ Ik zei: ‘Veel clichés zijn ook voor mensen een absolute waarheid.’ Ze wierp me een blik toe en zuchtte licht: ‘Je hebt misschien wel gelijk, maar er is altijd een afstand tussen de waarheid en de praktijk.’

          Gelukkig was de wagen leeg. Toen de zon bijna onder ging boven de steenwoestijn kwamen we eindelijk in Shorbulak aan. Dat was een oase in de woestijn met een erg mooie omgeving. De grond was ook vruchtbaar, maar dat alles was nu verpest door die man die haar had misbruikt. Het groepje opgeleide jongeren uit Shanghai dat haar kwam afhalen, mannen en vrouwen, bleef er eindeloos over mopperen. Een jongen die slonzige kleren aanhad en door de anderen ‘Amerikaanse soldaat’ werd genoemd, sloeg op mijn schouders en zei: ‘Bedankt, meester! Als we in Shanghai waren, zou ik je uitnodigen om naar de Laozhengxing te gaan, of als je van westers eten houdt naar de Maison Rouge, maar hier...’ Hij spreidde zijn handen uit om aan te geven dat hij niets kon regelen.

          Ik wist dat ik hen door daar te blijven zeker last zou bezorgen – ik zou het karige eten eten en logeren waar al geen ruimte was; zij was net terug en moest haar bagage uitpakken en opruimen. Ik zei: ‘Ik heb nog wat te doen in Tikanlik en zal jullie niet verder lastig vallen.’

          Het kind kwam aanrennen, nam me bij de hand en schreeuwde: ‘Jij moet hier ook blijven, ik laat je niet gaan!’

          Ik hurkte, streek over zijn hoofd en zei: ‘Ik moet nog wat spullen vervoeren, er liggen heel veel spullen op mij te wachten. Blijf jij maar lief hier bij mamma.’

          Hij hield zijn hoofd scheef, dacht even na en vroeg door: ‘Kom je nog terug?’

          Ik zei: ‘Ik kom nog terug.’

          ‘Kom je dan nog met de auto?’

          ‘Ja, ik kom nog met de auto.’

          ‘Heel zeker?’

          ‘Heel zeker.’

          Zij stond naast het kind. Ik stond op en herhaalde nog eens, zowel voor het kind, leek het, als ook voor haar: ‘Ik kom zeker!

          Toen ik terug was in Ürümqi was het beeld van haar en haar kind in mijn hoofd geprent, ik kreeg het niet uitgewist, en ik liep de hele dag met mijn ziel onder mijn arm rond, alsof ik mijn hart in Shorbulak was kwijtgeraakt. Toen mijn meester was teruggekeerd, ging ik snel bij hem langs en presenteerde hem een gedetailleerd verhaal van mijn omstandigheden en mijn gemoedstoestand. ‘Prachtig!’ Mijn meester gaf een klap op de tafel. ‘Wie zou je beter kunnen kiezen dan haar? Shorbulak betekent ‘bittere bron’. Een kapitalistisch meisje dat in een bittere bron heeft gelegen is nog kostbaarder dan goud!’

          Ik kocht heel wat spullen voor de nieuwjaarsviering en ook speciaal een groot aantal verschillende speelgoedautootjes, en reed met een collega mee. Op de dertigste van het oude jaar kwamen me dan eindelijk in Tikanlik aan. Storm en sneeuw trotserend liep ik naar Shorbulak. Toen ik de deur van hun huis openduwde, zaten de Shanghainezen net aan het oudejaarsmaal.

          Later vroeg ze mij steeds weer: ‘Waarom hou je nou van me?’

          Ik zei: ‘Ik vind altijd dat je bij liefde niet over “waarom” kunt spreken. Ik ben dol op de Pingopera uit Hebei, maar één stuk in Liu Qiaoer vind ik niet mooi, als ze zingt “Ik hou van hem omdat hij kan schrijven en rekenen, omdat hij kan werken en omdat hij als hij thuiskomt mijn leraar kan zijn.” Hoe kun je liefde nou zo koud analyseren, hoe kun je die nou zo precies afwegen? Ik zal je eerlijk zeggen, ik ben al een keer getrouwd geweest...’ Ik vertelde haar alles over die geschiedenis met het meisje uit het noorden van Shaanxi. Ik zei: ‘Objectief gezien was ik op alle fronten beter dan die jongen uit Shaanxi. Maar zij hield toch niet van mij en wilde uitgerekend met hem een hard leven delen in dat ellendige huisje, dat geen tent is en ook geen hol. In de zomer maken ze stenen tot hun gezicht zo verbrand is dat de vellen eraan hangen en in de winter plakken ze lucifersdoosjes tot hun handen ervan barsten. En waarom? Vroeger begreep ik dat ook niet en zat ik er heel erg mee. Nu begrijp ik het: dat is nou liefde! Wat ik voel voor jou is net zoals wat zij voor die jongen uit Shaanxi voelt. Hoe kun je mij dan laten uitleggen waarom...’

          Toen ze luisterde werden haar ogen rood. Ze knikte en zei: ‘Ik begrijp het nu wel een beetje...’ Goed, we zijn er bijna. Waar wil je eruit?... Dat geeft niet, ik breng je tot de deur...’

          Hoe het nu is? Nu is alles natuurlijk in orde gekomen. Zij is plaatsvervangend hoofd van de middelbare school van Shorbulak, en elke winter- en zomervakantie komen ze naar Ürümqi. Mijn baas houdt rekening met me en laat mij alleen maar deze route rijden, zodat ik elke week een keer naar huis kan. Het kind zit al op de middelbare school. Alleen wil hij nu geen vrachtwagenchauffeur meer worden. Het is zijn ideaal schrijver te worden, hij zegt dat hij later over mij en zijn moeder wil schrijven. Ik zei: ‘Wij zijn nou ook weer geen helden, bovendien zijn er allerlei dingen die we hebben meegemaakt waar je niet over kunt schrijven. Als je dat wel doet bekritiseren ze je, dan zeggen ze dat je een negatief beeld geeft.’ Hij zei: ‘Papa, je weet er niets van, in de literatuur draait het nu juist om de waarheid. Ik vind dat jij en mamma echte mensen zijn!’ Haha! Meneer, ik weet ook niet of die rakker het bij het juiste eind heeft of niet.

          Haar vader is eerverleden jaar gerehabiliteerd. Hij heeft alsnog zijn salaris gekregen en de rente voor zijn bezittingen die hij in 1956 aan de staat had gegeven. Als ze niet met mij getrouwd was, zou ze zo naar Shanghai terug kunnen. Op een keer, toen ik vrolijk was van wat te veel drank, zei ik: ‘Je hebt zeker spijt, hè? Als je niet met mij getrouwd was, kon je zo terug naar Shanghai om weer als een dame te gaan leven.’

          Op dat moment zei ze niets, maar ’s avonds, toen ze naast me in bed lag, snikte ze en zei: ‘Hoe haal je het in je hoofd zoiets te zeggen! Zei jij niet “of je een goed leven hebt ligt niet aan waar je leeft, maar aan met wie je dat leven deelt”? Waarom zou ik naar Shanghai terug willen om daar de dame uit te hangen? Je hebt wel een lage dunk van me.’ Ik besefte dat ik te ver was gegaan met mijn grapje. Ik moest de halve nacht op haar in praten voor ik haar aan het lachen kreeg. Sindsdien heb ik nooit meer te veel gedronken...

          Ah, Shorbulak, Shorbulak! Bittere bron, bittere bron! Meneer, als ik zo denk aan de mensen met wie ik in aanraking ben gekomen, is zij, die in het bittere water heeft gelegen, niet de enige schat, maar zijn alle mensen die hebben geleden en van het bittere water hebben gedronken de schatten van ons land! Heb ik gelijk of niet, meneer?

          ...

 

 

terug