GESCHENK VAN HET LEVEN

Zheng Min

Vertaling Iege Vanwalle

(uit Het trage vuur 9, december 1999)

 

voorwoord: ik zeg

 

Ik zeg:

Poëzie, dat is mijn streven

Filosofie, daar ben ik naar op zoek

Maar poëzie en filosofie

Zijn niet de vis en de berenpoot

Misschien is het de vis die de berenpoot bakt

Misschien is het de berenpoot die de vis smoort

In de een bevindt zich de rijke smaak van de ander

 

Zij die ervan eten stellen zich geen vragen meer

Naar wat nu de vis en wat de berenpoot is

Ze vertrouwen enkel op die ene tong die de vele smaken

Vangt en in zich opneemt

Vergeten de te kieskeurige, de kortzichtige,

Zelfingenomen hersenen

 

De vis en de berenpoot zijn zichzelf allang vergeten

Ze sudderen boven de vuurpoel van rode houtskool

In die onderscheidloze, die zwarte, geblakerde,

Peilloze diepte.

 

1.

 

Moeilijk te aanvaarden, de eeuwige vervorming van de liefde

De koppigheid van de haat en de onwil van de bitterheid om te vervagen

Verre vale wolken hebben ooit onverschilligheid ervaren

En ook verzengende dagen ontkomen niet aan een vochtige regennacht

 

De heftige wind van gisteren brak enkel de wilgentakken af

Met opgeheven hoofd kijkt de onverschillige oude pijnboom toe

Duizenden ziedende jaren hebben slechts zijn donkergroen verdicht

Zijn schitterende lichaam gebeeldhouwd tot een liggende oude draak

 

Laat je gaan wanneer de jeugd je de elegantie van springen verleent

Een flitsende draai brengt zelfs het universum aan het duizelen

De aarde is slechts het podium waarop jij je kracht tentoonspreidt

 

Het is zeker niet de beneveling van de ouderdom die op je wacht

De avondschemering, opnieuw veranderd in verre vale wolken

Wordt langzaam oranje, lichtgroen, maakt het heelal overdrachtelijk

 

23 november 1994

 

2.

 

Een felle vlam brandt niet meer

De kilte van de sterren is een niet te doven licht

Enkel wanneer de mist alle kanten op drijft

Zie jij mijn bevroren glorie

 

Een wegstervende hartelijke lach kan altijd terugkeren

Populieren in een droom heen en weer wiegen

Onzichtbare stappen achtervolgen elkaar

De wind speelt verstoppertje in de boomtoppen

 

Hoe betoverend is de dood van de herfst toch

Als zwermen vogels alle kanten uit fladderend

Vallend op het gras dat een vaalgele kleur uitstoot

 

De dood van de herfst is zo ongrijpbaar

Overal verspreide bladeren laten ritselend

Een grenzeloos diep verlangen bij je achter

 

22 november 1994

 

3.

 

Vergetelheid, een volhardend zaad

Ontkiemt niet in een lente wild van vreugde

Zij ontwijkt de elegantie van wiegende tulpen

En de midzomer die mensen laat dansen van plezier

 

Wanneer de noordenwind wild aan de kale boomtakken rukt

En op verzegelde ramen en deuren slaat

Gaat vergetelheid vanuit de stijfbevroren diepte van een bloementuin

Over het ijsbed waarin lotussen slapen

 

Komt voor mij, de

Schaduw van de jeugd, woordeloos

Glimlachende adonis

 

Ze legt een prentenboek open

Wij allen zijn vissen in het water:

Laat de tijd alles langzaam overspoelen

 

4.

 

Alles wat verloren is, is nooit verloren geweest

Altijd zal het jou aanroepen

In de diepte van de vallei, in de fluistering van een smalle beek

Zocht het je gisteren stilletjes

In ledematen als bergen

In ogen als zeeën

In een hartmeer als de hemel

Roept het jouw ziel

 

Wat reeds verloren is maakt je rijk

Wat je nu bezit maakt je arm

Ach, ga weg uit de vermoeidheid van vandaag

 

Verzink in het grenzeloze verborgene van de golven

Vlucht voor het lawaai op het strand

Dit reine is de ware parel van het leven

 

5.

 

De vreugde van de late herfst is in de dood

Kleurrijke vleugels van de dood

Van lichtgeel naar donkerbruin naar bloedrood

Maar de herfst zucht niet, weent niet

 

Toen een bries de toppen van hoge statige populieren streelde

Liet hij een bruine waterval neer

Wachten op aarde is een feest van herontmoetingen

Dat zich na lange, verre omzwervingen geheel laat gaan

 

De wijn van de herfstregen laat hen dronken worden

Heel dicht op elkaar, de wangen donkerrood

Blad na blad, hoop na hoop

 

Het ene blad na het andere dwarrelt rustig neer

Tot het allerlaatste, zacht klokgelui

Sluit de opzichtige wind en wolken van de zomerdagen af

 

22 november 1994

 

6.

 

Erts in stilte. Wij moeten wachten

Zoals de vruchten van perzikbomen, geteisterd door stormen en

Wormen, de zweepslagen van het lot verdragen

Een boom met vruchten, een geul met erts

 

Maar hoeveel kunnen er donkerrood worden geverfd? Op de eettafel

De bewondering van de mensen genieten? Geluk

Kent een selectieve keuze, strekt de handpalmen uit

Mysterieus als voorbijdrijvende wolken

 

Wiens voetstappen zijn zo traag?

Wiens armen zijn zo slaperig en sloom

De blik twijfelend, en lang ondoordringbaar?

 

Maar erts bestaat niet uit bederfelijk vlees

Het kan de vergetelheid en de kilte van vele miljoenen jaren verdragen

En slaapt vast in de diepten, het hoofd rustend op een steen

 

7.

 

Na de stilte spuwt de vulkaan uiteindelijk opnieuw

Er is geen lied dat niet stagneert

– Een rijke leegte die erop wacht overgestoken te worden

De trekvogels van de melodie brengen de winter door in dat warme meer

 

Na de stilte breekt de roos uit in een schokkende schoonheid

Enkel de tweede generatie tulpen verwelkt, vermagert in bevroren aarde

Ook kamperfoelie kan niet lang verdwaasd in de slaap blijven

Wanneer de lente van de takken naar de rijpheid van de zomer drupt –

 

Ach, de pijlen van het leven, de snaren van het leven

Herleven nog eenmaal, vliegen, zingen en reciteren

Ze leiden de dinosaurus uit de chaotische Oudheid

 

En de kleurige algen in de diepe zee, de donkere bossen op de hoge bergen

Schetsen in de ruime hemel van de ziel van de nietige mens

Wijsheid, weg na weg: onzichtbaar, beeldloos, spoorloos.

 

27 november 1994

 

8.

 

Een zwaar dik gordijn, het duister

In de nacht achter het raam

Kan ik het duidelijkst horen

Beter dan de schreeuw van de tijd vóór de tafel

 

De dagen die het verst van mij verwijderd zijn, zijn in de duisternis

Als gedaantes van verre wouden in winterse mist

Ik hoef ze niet aan te raken, ik kan het paadje dat geleidelijk

In het ondoordringbare verdwijnt toch wel volgen

 

Enkele gezichten flitsen als onrustige sterren

Enkele armen strekken zich naar me uit vanuit de diepe afgrond

Zwart haar, een lichtblauwe mouw

 

En er zijn ogen, de diepte van een blik

En een stem, als de wind die een riviertje beroert

En ten laatste de lippen, zij verzegelen het mysterie van het leven.

 

28 november 1994

 

9.

 

Alles uit de hemel is al op aarde gevallen

Omhoog kijkend zie je de niet meer afgedekte winter van het noorden

Een vlek azuurblauw, de bladeren ritselen als onrustig gefluister

Het begin van de winter bezit achter de mist ook zijn eigen sereniteit

 

De warmte van het woudpad bedekt ontelbare herinneringen

Eenzaamheid slingert zich door een verlaten vallei

Talloze karrenwielsporen met zich meevoerend

Een weg die er lijkt te zijn en niet

 

In zijn jeugd trekt hij een zoektocht van het leven achter zich aan

Tijdens zijn ouderdom houdt hij zich staande met zware passen

Gaat door wildernis, over graven, door woestijn

 

En dan is er ook nog het hart dat door naamloze wind en regen wordt bedrogen

De geschiedenis maakt het de mensen moeilijk om een rechtsgeding te winnen

Hoe grootser het hart, hoe beter het weet wat eenzaamheid is

 

9 december 1994

 

10.

 

Een halve eeuw lang knipperen wij enkel met de ogen

De aarde draait zonder te stoppen vanzelf rond de zon

Bij het ontwaken is de sierlijkheid van de lente op het noordelijk halfrond

Reeds veranderd in het winterse gehijg van het zuidelijk halfrond

 

De ganzen die gehaast de seizoenen achtervolgen

Verliezen in de maalstroom van de lucht hun richting niet

Maar jouw en mijn ogen zijn niet de sterren aan de hemel

In de nacht is het moeilijk kinderdromen terug te vinden

 

De dageraad komt vanuit het oosten

De avondval gaat langs het westen terug

Vermoeide reizigers staren voorbij de grenzeloze hemel

 

Jammer, enkel in een supersonische vliegtuigcabine

Kan men alvast afscheid nemen van de verlegenheid van de ondergaande zon

Om dan onmiddellijk de vale vissebuik van de dageraad te verwelkomen

 

11.

 

Als Chopin lijnen in het water wil kerven

– Hoe hij zich ook draait of keert

Beelden van onrust, talrijke

Vallende bladeren schrikken watervogels op uit hun slaap

 

De vingers van het leven zullen niet stoppen

Een genadeloze vioolboog speelt op de snaren van het hart

Een ondraaglijke geschiedenis te voorschijn

Maar er is geen ontkomen aan, gezang

 

Als geroep van wilde zwanen

Rijt de koude hemel van de dageraad open

Onduidelijk is de betekenis

 

Wij zijn groene heuvels en kliffen

Gelijk, in de zwijgende stilte

Vergeten we nimmer de rotatie van de planeten tijdens het ontstaan.

 

12.

 

De nimmer uitgesproken woorden

Verbergen zich in een onbekend bos

We zijn altijd diep aan het graven

En hopen zo hun schuilplaats te ontdekken

 

We kijken elkaar aan en voelen woede vanwege de misleiding

Nooit ben jij echt mijn oogkassen binnen gegaan

En ook ik ben ver van jou verwijderd, heel ver

Maar naarstig, heel naarstig komen we dichterbij

 

De afstand is al niet meer uit te wissen

Tenzij we transparante lichamen hadden

Een wolkeloze blauwe hemel, zonder eind

 

Jij zult in mijn haar en huid veranderen

Ik zal de aarde onder je voeten zijn

Onze twee levens zullen niet meer uiteenlopen

 

13.

 

Elke minuut ben ik naar jou op zoek

Een halfblinde mens, op zoek naar

Zijn stok, op de tippen van zijn tenen:

Het is de bal in de hand waar het kind naar zoekt

 

Eeuwig zoeken naar de jij die ik reeds bezit

Maar ik vergat dat het stroomt in de bloedbanen

De wijnranken van de winterslaap zoeken in de aarde

Verbleekt naar het paarsrood van de vrucht

 

Wachten tot het verschijnt, wachten is alles

Zelfs wanneer de hemel niet de beste genen heeft gegeven

Doet de verschijning van het leven de mensen nog altijd beven

 

De lente breekt het zegel van de bron van de hartelijke lach

Duizenden, tienduizenden vogels reciteren tussen kleurige bloemen

Dankbaar proef ik mijn bittere vruchten

 

22 november 1994

 

terug