POËZIE IS ALTIJD EENZAAM. EEN GESPREK MET CHEN LI
Silvia Marijnissen en Martin de Haan
(Uit Het trage vuur
16, december 2002)
Hualian, mei 2001. Met zijn auto komt Chen Li ons in het
Politiehotel ophalen voor een gesprek over zijn poëzie; zoals altijd is
hij losjes gekleed en loopt hij op zijn Playboy-slippers.
We rijden naar zijn huis aan de andere kant van het stadje. Via een ingang die
oogt als een garagedeur komen we direct in de woonkamer, die wordt overheerst
door een enorme geluidsinstallatie, gigantische speakers en kasten vol
cd’s en video’s met voornamelijk westerse klassieke muziek. We
lopen door naar de tweede verdieping en installeren ons daar op de parketvloer
van een lange, lichte kamer die helemaal leeg is, op een Yamahavleugel en een
wand met boekenkasten na.
Je hebt een enorme collectie klassieke
muziek en verwijst er in je poëzie regelmatig expliciet naar, zoals in ‘Voetstappen
in de sneeuw’ (een prelude van Debussy), ‘Ansichten voor
Messiaen’, ‘De rozenridder’ (naar een opera van Richard
Strauss), of ‘Een open kooi – voor John Cage’. Het ligt daarom
voor de hand om bij muziek te beginnen. Hoe zie je de relatie tussen muziek en
je eigen poëzie?
Al
van kleins af heb ik naar westerse klassieke muziek geluisterd. In het begin
waren dat natuurlijk wat meer populaire stukken van bijvoorbeeld Schubert of
Beethoven, maar op de middelbare school begon ik zelf platen te kopen en
probeerde ik de ontwikkelingen van die muziek te begrijpen, en dat ging zo door
tijdens mijn studie Engels aan de Normal University in Taipei. Ik heb heel veel
boeken over muziek. Verder heb ik een beetje gitaar leren spelen, wat me heeft
geholpen beter te begrijpen wat ik hoorde. Doordat ik me zo in de westerse
klassieke muziek heb verdiept, heb ik nieuwe manieren gevonden om me uit te
drukken. Mijn tweede dichtbundel, Dierenwiegeliedje
(1980), is in feite behoorlijk muzikaal, denk ik.
Bedoel je daarmee hoe het klinkt? Je hoort dichters vaker
zeggen dat ze muziek heel belangrijk vinden, en dan betekent dat vaak simpelweg
dat poëzie voor hen gedragen moet worden door klank en ritme. ‘De la
musique avant toute chose’, zoals Verlaine schreef.
Ik
bedoel de klank maar vooral ook de constructie. Ik probeer mijn gedichten goed
op te bouwen, zoals een componist zijn muziekstukken opbouwt. Klassieke muziek
is een heel beheerste vorm van kunst, het heeft structuur, er is een herhaling
van motieven, een ontwikkeling, een reprise... Ik heb van muziek geleerd hoe ik
bepaalde elementen kan rangschikken zodat ze een evenwichtige compositie
vormen. Ik probeer de kleinste details te controleren, ik wil alles in de hand
houden. Mijn vrienden zeggen dat ik een perfectionist ben. Dat is mijn stijl,
en dat komt door de muziek.
En denk je dat het mogelijk is om alles te beheersen?
Nee, natuurlijk niet! (lacht) Dus daar zit ik mooi met een probleem! Maar ik ben daarop
gespitst door mijn training, door het luisteren naar klassieke muziek.
Hoe gaat dat precies in zijn werk bij het schrijven?
Begin je bijvoorbeeld zoals Hölderlin met losse woorden verspreid over de
bladzijde om vervolgens de ‘gaten’ op te vullen? Of schrijf je
juist heel lineair?
Het
gaat me om de structuur, om de manier van herhalen, zoals motieven in de muziek
kunnen worden herhaald... Soms gebruik ik daarom verschillende kleuren om de
relaties tussen bepaalde elementen voor mezelf duidelijk te maken, om duidelijk
bepaalde motieven te zien. In het gedicht ‘Dierenwiegeliedje’
worden bijvoorbeeld bepaalde zinsneden herhaald, maar zonder dat het monotoon
wordt, of te gladjes, zoals de poëzie van Yang Mu* volgens mij soms wel
is. Maar toch is mijn tweede bundel nog altijd vrij los geschreven. Tijdens het
schrijven van ‘Dierenwiegeliedje’ wist ik ook helemaal niet wat ik
precies zei.
Dus bij dat gedicht was de muzikale structuur
belangrijker dan de betekenis?
Meestal
heb ik een duidelijke bedoeling met een gedicht, maar van sommige gedichten
weet ik niet waarom ik ze zo heb geschreven. Vooral in de tijd van
‘Dierenwiegeliedje’, toen had ik een meer symbolistische manier van
schrijven.
Bedoel je dat die gedichten symbolistisch moeten worden
gelezen, als verwijzingen naar een soort hogere waarheid?
Nee,
nee, geen hogere waarheid, maar alleen de techniek van het symbolisme, bijvoorbeeld
de techniek van de synesthesie: ik gebruikte beelden waarin de verschillende
zintuigen werden vermengd. Nee, het ging me absoluut niet om een verwijzing
naar een andere, hogere wereld. Wat me toen bezighield was de mens, maar op een
wat abstracter niveau, niet al te direct. Je kunt de dieren in
’Dierenwiegeliedje’ als vertegenwoordigers van bepaalde typen
mensen zien, maar ik gebruik het woord mens niet, zodat het wat suggestiever
is.
In zekere zin heb je je altijd met ‘de mens’
beziggehouden. Je werk is zeer divers, maar er zijn een paar aspecten die
steeds blijven terugkeren. Eén ervan is de humor, een ander de sociale
bewogenheid, ik neem aan dat je dat bedoelt wanneer je het over ‘de
mens’ hebt. Beide aspecten zijn in je hele werk heel belangrijk, ook in
je latere poëzie, wanneer je meer met de taal zelf bezig bent.
Dat
is ook zo, dat zit allebei al in mijn eerste bundel. Achteraf zie ik mezelf in
die tijd als een ‘angry young man’. Mijn eerste bundel, Tegenover de tempel (1975), is een
uitdrukking van mijn ‘woede’, ik ben daarin voortdurend bezig met
het omvergooien van de bestaande instituties. Over de titel van het boek zei
mijn leraar van destijds me dat het heiligschennis was, omdat ‘tegenover
de tempel’ betekent: de tempel omvergooien. En dat bedoelde ik er ook
mee! Ik woonde als kind met mijn ouders tegenover een tempel en ging daar vaak
heen om toe te kijken. Maar al van jongs af was het voor mij niet meer dan een
bijgelovige instelling, die ik begon te minachten door bepaalde onrechtvaardigheden
of onnatuurlijkheden in het leven van alledag. Ik had een voortdurende drang om
de strijd aan te binden met de gevestigde orde, zo ik heb bijvoorbeeld nooit
‘vader’ of ‘grootvader’ gezegd tegen mijn vader en
grootvader, en ook nu nog ga ik nooit naar enige ceremonie, naar een trouwerij
of iets dergelijks! Die woede, die ontevredenheid en onrust had ik in het begin
heel erg.
Hoe kreeg die woede dan een literaire vorm? Want je gooit
je woede toch niet zomaar in een gedicht.
Aan
de ene kant door middel van humor, satire en ironie, aan de andere kant ook
door vrij directe sociale kritiek. Ik heb bijvoorbeeld een gedicht geschreven
met de titel ‘Hoe ik voor Playboy
fotografeerde’, dat is een experiment vol sociale kritiek, maar de titel
is toch best grappig! Die eerste bundel... die is niet zo beheerst. Hij is
nogal grof, nog niet zo volwassen en evenwichtig, waarschijnlijk juist vanwege
al die woede. Dat eerste boek werd gepubliceerd toen ik nog studeerde, juist in
de tijd dat ik me verdiepte in de westerse kunst, waardoor mijn taal wat
beheerster en volwassener werd.
Dus je bent eigenlijk niet meer zo tevreden over die
eerste bundel, als je nu terugkijkt.
Nee, hij is te direct. De gedichten in de tweede bundel, Dierenwiegeliedje, zijn indirecter, ze laten
meer ruimte aan de lezer. Onder invloed van de impressionistische muziek
– ik heb bijvoorbeeld veel naar Debussy geluisterd– werd mijn werk
in die tijd wat suggestiever. Nu denk ik dat een aantal van de gedichten uit
die tweede bundel tot mijn beste werk van voor mijn vijfentwintigste behoren
– ik ben geboren in 1954 en die bundel werd gepubliceerd in 1980 –
maar destijds vond ik dat helemaal niet!
Hoezo, waarom niet?
Kort nadat de bundel was uitgegeven begon ik me er zeer
voor te schamen. Dat kwam door de politieke en maatschappelijke situatie. In
die tijd was er namelijk een zeer sterke tendens, het zogeheten Nativisme, die
inhield dat er steeds meer aandacht kwam voor het identiteitsprobleem waar de
mensen in Taiwan mee kampten. Taiwan was officieel een provincie van China maar
in de praktijk een zelfstandig land, en dan was er ook nog de enorme
Amerikaanse invloed… Die aandacht voor de eigen identiteit had zo zijn
weerslag op de literatuur, die een sterke sociaal-realistische inslag kreeg...
Je schaamde je omdat je poëzieanders was dan die van
de anderen, en je was toch een sociaal bewogen dichter...
Ja,
ik was te ver verwijderd van de werkelijke wereld.
Werd dat je kwalijk genomen?
Nee, ik nam het mezelf kwalijk. Elke keer als ik daarna
een geëngageerde dichter las, zoals de Peruaan Cesar Vallejo of de Chileen
Pablo Neruda, dan vond ik dat ik moest schrijven zoals zij. Toen heb ik
bijvoorbeeld een heel lang gedicht geschreven dat ‘De laatste Wang
Muqi’ heet, over een groot aantal mijnwerkers in Taiwan dat de dood vond
doordat de kolenmijn waar ze aan het werk waren vol water liep. Ik probeerde
daarin om net zoals Neruda modernisme en sociaal engagement hand in hand te
laten gaan.
Was je niet bang dat een al te expliciet verwoord sociaal
engagement ten koste van de poëtische kracht zou gaan? Neruda is misschien
een uitzondering, maar geëngageerde poëzie is toch meestal dodelijk
voorspelbaar.
Ja,
ja, dat is wel zo, maar destijds zat iedereen die niet expliciet naar de mensen
van dit land verwees toch met een schuldgevoel. Het gevolg was dat ik
uiteindelijk niet meer wist hoe ik moest schrijven en er een tijdje mee stopte.
Maar er zullen toch wel meer schrijvers zoals jij zijn
geweest die niet op die manier wilden schrijven? Je zou zeggen dat een
schrijver zijn eigen weg moet volgen en niet de weg die de maatschappij hem
oplegt.
Maar
ik was mijn weg kwijt! En dus heb ik tussen 1980 en 1988 vrijwel niets
geschreven, in totaal maar tien gedichten.
Is dat niet juist de periode ná het nativisme?
Het nativisme begon op zich al eerder, in de jaren
zeventig, maar de naweeën ervan waren in die tijd nog voelbaar. De
politiek speelde een grote rol in het leven van alledag, en je moet niet
vergeten dat in Taiwan officieel nog altijd de staat van beleg van kracht was,
die van 1947 tot 1989 heeft geduurd, hoewel hij steeds minder strikt werd. In
de jaren tachtig gingen zeer veel schrijvers politiek getinte gedichten
schrijven. Het debat van de jaren zeventig had ervoor gezorgd dat de meeste
dichters zich verplicht voelden directer over China of Taiwan te schrijven.
Welke van de twee maakte niet uit, maar in ieder geval over een van beide,
anders pleegde je verraad aan het volk... Zo voelden veel dichters dat toen,
ook degenen die al langer schreven, zoals Luo Fu en Yang Mu, die voorheen juist
een minder plaatsgebonden poëzie voorstonden. Aan de andere kant, iemand
als Xia Yu, die juist in die tijd, begin jaren tachtig, begon te schrijven,
trok zich daar niets van aan en schreef wat ze wilde. Of Chen Kehua
bijvoorbeeld, die zeven jaar jonger is dan ik, ook hij schreef wél op
zijn eigen manier. Maar zelf was ik dus nogal verward, ik wist niet meer wat ik
moest doen. Aan de andere kant werd ik ook meer en meer door andere dingen in
beslag genomen. Ik was teruggegaan naar Hualian om les te gaan geven aan mijn
oude middelbare school en ik besteedde veel aandacht aan mijn leerlingen, ik
deed veel voor ze. En tegelijkertijd, terwijl ik aldoor het gevoel had dat ik
gezichtsverlies had geleden, waren er jongere mensen, jongere dichters, die me
vertelden dat ze mijn tweede bundel zo bewonderden. Dan zei ik: pas maar op,
morgen schaam je je daarvoor!
En de kritieken in kranten en tijdschriften dan? Vonden
die de tweede bundel goed?
Ach,
de kritieken... die zijn er nooit zoveel. Poëzie is altijd eenzaam.
Andere dichters dan? Die oudere dichters als Luo Fu of
Yang Mu, of je tijdgenoten zoals Luo Qing? Reageerden zij er niet op?
Voor
mijn gevoel was iedereen in die tijd met zijn eigen dingen bezig. Een aantal
mensen, zoals Zhang Hanliang, van wie ik les heb gehad op de universiteit,
besteedde wel wat aandacht aan mij. Ook werd ik wel opgenomen in anthologieën
die door docenten van de universiteit werden samengesteld, samen met
generatiegenoten als Yang Ze, Luo Zhicheng en Xiang Yang. Maar in een
anthologie van Yang Mu uit 1988 werd ik niet opgenomen... dat vond ik erg.
Heb je nooit gevraagd waarom dat was?
Later heeft hij gezegd dat hij toen dacht dat ik de
poëzie had opgegeven omdat ik in die jaren zo weinig schreef. Hij dacht
dat ik eigenlijk niets om poëzie gaf, en daarom hoefde ik er niet in te
komen.
Dat zegt niets over de kwaliteit van het gepubliceerde
werk.
Tja, ik vond het raar dat ik er niet in stond, en anderen
hebben dat ook opgemerkt. Er staan gedichten in die slechter zijn dan de mijne.
Eigenlijk is die kwestie tussen Yang Mu en mij een beetje blijven hangen tot
vorig jaar, toen ik de prestigieuze Wu Sanlianprijs won en Yang Mu
één van de drie juryleden was. Dat maakte het allemaal goed.
Maar wat zegt het nu eigenlijk of je wel of niet in
zo’n anthologie staat. De smaak, de criteria van de samensteller bepalen
wat erin komt. En Yang Mu’s eigen werk, een beetje een moderne vorm van
de klassieke Chinese landschapspoëzie, is totaal verschillend van het
jouwe. Als je daarop let, en op de bekendheid die bepaalde dichters op dat
moment al hadden en jij nog niet, dan ben je misschien daardoor buiten de boot
gevallen.
Zijn
werk is inderdaad heel anders. Toch moet ik toegeven dat ik ook door zijn werk
ben geïnspireerd en dat ik er een zeer grote bewondering voor heb.
Destijds wilde ik dat niet toegeven, maar daarom vond ik het natuurlijk zo erg
dat ik niet in die anthologie stond. Ik heb er echt een Yang Mucomplex aan
overgehouden! (lacht) Want Yang Mu
was als een standbeeld dat hoog boven mij uitrees en mij volledig in de schaduw
stelde. Dat hij net als ik uit Hualian komt, heeft daar natuurlijk ook veel mee
te maken. Ik heb zelfs bij zijn jongere broer in de klas gezeten, dus in
bepaalde opzichten staan we heel dicht bij elkaar. Dat geeft zoiets nog veel
meer gewicht.
Waarom ben je kort na het uitkomen van die anthologie,
rond 1989, toch weer intensiever gaan schrijven? Had dat ook met Yang Mu te
maken?
Nee,
het was vooral omdat ik gedesillusioneerd was als docent. Zoals ik al zei gaf
ik veel om mijn leerlingen. Ik deed mijn best voor ze en wilde ze graag veel
leren. Maar de school mocht mij niet zo, men vond dat ik een slechte docent
was. Uiteraard kwam het allemaal doordat ik de leerlingen tegen instituties in
opstand leerde komen! Ik moedigde ze aan om zichzelf te durven zijn,
zelfstandig over de dingen na te denken, en dat stelde de school niet op prijs.
Op zichzelf deed die kritiek me niet zoveel, maar na verloop van tijd vond ik
toch dat ik mijn energie dan maar beter in de poëzie kon steken.
Poëzie was wel minder direct, dacht ik, maar daarmee kon ik de wereld toch
nog een klein beetje proberen te verbeteren.
Dacht je dat echt?
Ja, in het begin wel. Ik zag poëzie als een middel
om in opstand te komen, om de wereld te veranderen en te verbeteren. Na het
schrijven van ‘De laatste Wang Muqi’ was ik ook oprecht
teleurgesteld... Dat gedicht won de eerste prijs in een poëziewedstrijd in
de China Times. Iedereen vond het
goed maar er veranderde niets...
Maar als poëzie al iets kan veranderen, dan toch
alleen heel indirect? Misschien kan literatuur ervoor zorgen dat de mensen aan
het denken worden gezet, maar...
Ja,
natuurlijk, maar dat begreep ik pas later! Dus in 1989, toen de staat van beleg
was opgeheven, begon ik weer te schrijven. Ik wilde goedmaken wat ik in de
jaren daarvoor had verzuimd te doen en ging gedichten schrijven over de
geschiedenis van Taiwan, over wat het inhoudt om Taiwanees te zijn, over de
verschillen tussen het vroegere en het huidige Taiwan. In
‘Tarokokloof’ en ‘Groene ui’ denk ik bijvoorbeeld na
over de hybride cultuur van Taiwan, met zijn geschiedenis van Nederlandse en
Japanse bezetting, de verschillende inheemse stammen die er wonen. Ik was toen
in de dertig, mijn dochter werd geboren, en langzaamaan begon ik iets van het
leven te begrijpen. Mijn eigen ervaring, mijn gezinsleven, het lot van Taiwan
en van de Taiwanezen, alles kwam samen in mijn poëzie van die tijd.
Bleef je toen ook nog experimenteren met compositie,
taal, muziek – de dingen waar je je eerder mee had beziggehouden? Hoe zie
je die periode nu?
Mijn
werk bleef gecontroleerd, maar het werd wat minder strak, dat wil zeggen, mijn
taalgebruik was niet meer zo compact. Het werd losser, met meer dagelijkse
spreektaal, zoals in ‘Buffet de Clown’ en ‘Stormlied’.
In mijn derde bundel, Wolkbreuk
(1990), ben ik stabieler en zelfbewuster geworden. Langzaamaan kreeg ik meer
zelfvertrouwen: ik was trots dat ik in de omgangstaal schreef en dat ik
‘in mijn land stond’. Neruda was toen een belangrijke
inspiratiebron voor me. Dat was hij van tevoren ook al wel, maar in die tijd
nog veel meer. Zoals ik in de ‘Tarokokloof’ die lijst van
plaatsnamen geef in hun oorspronkelijke, inheemse vorm, dat was duidelijk onder
invloed van wat ik vroeger bij Neruda had gelezen. Ik heb toen veel gepiekerd
over de vraag hoe poëzie moet zijn. Mijn tweede bundel vond ik heel
slecht, niet zozeer omdat ik me nog altijd schaamde, maar omdat ik zelf
inmiddels vond dat poëzie duidelijk moest zijn, helder en open. Wolkbreuk is dat ook.
En nu? Hoe denk je nu over je tweede bundel?
Veel beter dan de derde! Alle andere zijn beter dan de
derde!
Je hebt het wel over de invloed van specifieke schrijvers
die je hebt gelezen, maar veel belangrijker dan het lezen van andermans werk is
misschien dat je zelf ook veel vertaalt: Szymborska, Heaney, Plath, Neruda,
veel Latijns-Amerikaanse dichters vooral. Wat voor effect heeft dat vertalen op
je eigen poëzie gehad?
Toen
ik net was afgestudeerd aan de universiteit, kwam ik met Latijns-Amerikaanse
poëzie in aanraking en ging die vertalen: Pablo Neruda, Octavio Paz, Cesar
Vallejo, Gabriela Mistral, Carlos Drummond de Andrade en anderen. Ik vertaalde
alles vanuit het Engels, met het Spaans ernaast, dat ik niet beheers maar toch
probeer te lezen met behulp van het Engels. Vertalen is ontzettend belangrijk
voor mij: ik leer door te lezen, maar ik leer lezen door te vertalen. Mijn
manier van poëzie schrijven is denk ik minder realistisch dan die van
andere Taiwanese dichters, ik combineer realistische en niet-realistische
elementen, en de Latijns-Amerikaanse poëzie heeft me daarbij geholpen. Zo
hoop ik een nieuwe impuls aan de Taiwanese poëzie te hebben gegeven, die
misschien weer andere dichters zal beïnvloeden.
Maar heeft het vertalen zelf je iets opgeleverd? Want
vertalen is intensief met taal bezig zijn, je bent constant bezig woorden te
kiezen, stilistische keuzes te maken. Heeft dat je eigen schrijven
beïnvloed?
Ja,
absoluut, en op alle mogelijke manieren. Op het gebied van beeldspraak,
bijvoorbeeld. Hoe vaak word je als dichter niet geïnspireerd door
metaforen van andere schrijvers, bewust of onbewust. Het lezen en vertalen van
al die verschillende dichters heeft me geholpen mijn eigen stijl te vinden.
Neem Neruda’s invloed op mijn werk, die ligt vooral in zijn heel barokke
manier van schrijven, de enorme beweeglijkheid en de zeer rijke woordenschat.
In een latere fase las ik andere, eenvoudigere poëzie, die me ook heel
diep kon raken. En in mijn vierde bundel, Reizen
in de familie (1993), schrijf ik daardoor veel eenvoudiger, beknopter,
beheerster. Het is duidelijk dat ik toen niet meer zo vol woede zat.
Een
goed voorbeeld van die eenvoudige, beknopte stijl is het gedicht
´Ansichten voor Messiaen’, waarin alle franje ontbreekt.
Dat
heb ik geprobeerd, ja, maar misschien is het toch nog wel te opgesmukt! Ik
probeer in die gedichten stil te zijn, stil, bondig, krachtig en nauwkeurig. En
het is natuurlijk geen toeval dat ik daarna een bundel met honderd moderne
haiku’s heb geschreven, Microkosmos
(1993). Ik heb geprobeerd de eenvoud tot het uiterste door te voeren. Het
grappige is dat ik daarmee precies het tegendeel deed van wat ik in mijn tweede
bundel had gedaan, en in sommige gedichten uit de derde, zoals
‘Tarokokloof’, waarin ik juist complexiteit en grote taalrijkdom
nastreef. Maar in feite is het één en hetzelfde proces, een soort
golfbeweging.
Je werkte dus naar een soort minimalistische poëzie
toe, met zo min mogelijk woorden. Gedichten als ‘Verkoopautomaat voor
nostalgische nihilisten’ of het wat latere ‘Oorlogssymfonie’
zou je daar ook toe kunnen rekenen, en die voorbeelden laten voor het eerst een
wat explicietere vorm van ‘taalspel’ zien. Je lijkt te zoeken naar
andere, niet-traditionele vormen van poëzie.
Veel
van dat soort gedichten zijn ingegeven door de computer. Die heeft allerlei
nieuwe mogelijkheden met zich mee gebracht, hij heeft mijn omgang met taal en
mijn manier van schrijven veranderd. Soms heeft dat te maken met de
invoermethode voor het Chinees, je typt een uitspraak in en alle verschillende
karakters met diezelfde uitspraak verschijnen in beeld, waaruit je vervolgens
de juiste moet kiezen. Er zijn gedichten die ik zonder computer niet zou hebben
geschreven, zoals ‘Oorlogssymfonie’. Dat was in één
minuut geschreven! (lacht) Maar ik
had er natuurlijk al wel een tijdje over nagedacht.
Die
gedichten die je nu noemt komen uit De rand van het
eiland, je zesde bundel, die heel gevarieerd is. Misschien is het wel je beste
werk tot nu toe.
Ja,
dat denk ik ook. Hij luidt een nieuwe periode in. Met die haiku’s had ik
natuurlijk de uiterste eenvoud al bereikt. Dus ik begon opnieuw heel vrij te
schrijven, min of meer zoals in het begin, maar met meer aandacht voor de
materiële vorm van de woorden, en natuurlijk met de ervaring van de
eerdere bundels in gedachten. Wat ik in die zesde bundel doe, had ik denk ik in
de tweede bundel al in me, maar toen schoof ik steeds meer in de richting van
precisie en controle, de minimalistische kant op.
Schaam je je nu nog weleens over een bundel die je net
hebt uitgebracht?
Nee,
niet meer. Ik denk ook dat het niet meer nodig is, omdat mijn techniek
inmiddels gerijpt is. Verder is de Taiwanese samenleving flink veranderd,
vrijer geworden. Maar het heeft me vijftien jaar gekost, van 1980 tot 1995, om
mijn eigen ontwikkeling te begrijpen, om te begrijpen dat poëzie in grote
mate zelfstandig is, autonoom. Dat aspect van poëzie en kunst begrijp ik
nu beter. Sinds 1995 schrijf ik dan ook veel vrijer, ik vertrouw op mezelf en
trek me niets meer aan van wat anderen denken. Maar mijn werk blijft verbonden
met Taiwan. Ik blijf Taiwan ‘lezen’, en tegelijkertijd blijf ik
nieuwe dichtvormen verzinnen. De drijfveer van mijn dichterschap is dat ik
getuigenis wil afleggen van datgene wat Taiwan tot Taiwan maakt.
Denk je dat andere schrijvers in Taiwan een soortgelijke
ontwikkeling hebben doorgemaakt? Een ontwikkeling met autonomie als eindpunt?
Xia
Yu heeft van meet af aan volledig op eigen voeten gestaan... Anderen maken
misschien een soortgelijk proces door, misschien zijn er wel dichters die net
als ik hun stijl verder zouden willen ontwikkelen, maar die dat niet lukt...
Zelf wil ik in mijn werk vooral mezelf zijn. Dat betekent niet dat ik andere
soorten poëzie niet kan waarderen, maar dat persoonlijkheid voor mij een
belangrijk element is bij het schrijven. Dat bedoel ik wanneer ik zeg dat
poëzie autonoom is, iedereen moet schrijven op een manier die bij zijn of
haar eigen persoonlijkheid past. Xia Yu is dus Xia Yu en Chen Li is Chen Li.
Mijn werk toont een bepaalde sociale betrokkenheid die Xia Yu’s werk niet
kent. En hoewel ik soms weleens heb gewild dat ik zoals Yang Mu kon schrijven,
begrijp ik nu dat ik dat nooit zal doen. Net zoals Yang Mu nooit met taal zal
spelen, want dat zit niet in zíjn persoonlijkheid. Daarom kan ik nu
schrijven zonder me af te vragen wat anderen ervan vinden. De druk komt nu van
binnenuit, om te voorkomen dat ik mezelf ga herhalen.
In 1999 was je in Rotterdam op het Poetry International.
Heb je daar mensen ontmoet van wie je het gevoel had dat ze op hetzelfde spoor
zaten als jij?
Die
uitnodiging voor Rotterdam heeft me veel zelfvertrouwen gegeven... Toen ik Hugo
Claus of Szymborska vertaalde, voelde ik wel een verwantschap met hun
poëzie.
Dat zijn humoristische, speelse dichters, net als jij.
Ja,
ons werk heeft een zekere affiniteit, het maakt niet uit of we uit het Oosten
of het Westen komen. Op die eerste avond toen ik in Rotterdam mijn
‘Nachtelijke vis’ las, kwamen Claus en zijn vriendin na afloop naar
me toe en zeiden dat ze het mooi vonden. Maar sommige dichters hebben meer
verbeelding en zeggingskracht dan ik, ik vind Claus bijvoorbeeld echt beter dan
mezelf. Daarom heb ik zijn werk ook vertaald, uit het Engels natuurlijk, en net
zoals bij de Latijns-Amerikaanse dichters met het origineel en een
Nederlands-Engelse Van Dale ernaast.
Heb je met je zelfvertrouwen ook jouw stijl, jouw manier
van schrijven gevonden?
Van
mijn laatste bundel, De kat met de
spiegel (1999), een titel die verwijst naar een schilderij van Balthus, kun
je zeggen dat het een uitbreiding is van de vorige, De rand van het eiland. Die twee hebben veel gemeen... De laatste
twee jaar heb ik minder geschreven, omdat ik een andere richting probeer in te
slaan. Ik kan niet tevreden zijn als ik zo door blijf schrijven, ik moet nieuwe
manieren vinden, me blijven ontwikkelen. Maar dat is niet gemakkelijk, dus
schrijf ik nu minder.
Wat is erop tegen om een stijl die je bevalt te blijven
gebruiken en te perfectioneren, als hij nog steeds goede, interessante
gedichten oplevert?
Mijn
beste gedichten zijn nog niet geschreven! Naar die beste gedichten ben ik nog
heel hard op zoek, en die zien er dus anders uit dan mijn werk totnogtoe.
Tot slot: je hebt het gehad over het belang van Taiwan
voor je werk, en Taiwan is een eiland. Wat betekent dat voor je werk? Toen je
naar Rotterdam kwam, was je vijfenveertig en verliet je voor de eerste keer je
eigen land – dat is voor Nederlanders haast onvoorstelbaar. Heeft het
feit dat Taiwan een eiland is misschien je opvattingen over
‘ruimte’ en ‘grenzen’ bepaald?
Ik
ben het eiland! (lacht) Daarom is het
voor mij niet belangrijk dat Taiwan een eiland is. Mijn manier van om me heen
kijken, mijn relatie tot de buitenwereld domineert mijn poëzie. En omdat
ik zelf een eiland ben dat naar alle kanten openstaat, geldt dat ook voor het
eiland waarop ik leef.
Noot: Van alle genoemde Taiwanese dichters zijn vertalingen te
vinden in het tijdschrift Het trage vuur en in de Engelstalige anthologie
van Michelle Yeh, Frontier Taiwan: An
Anthology of Modern Chinese Poetry (Columbia University Press, 2001).