Nummer 35, oktober 2006
INLEIDING
Van opium naar XTC: Shanghai in de moderne literatuur
Lena Scheen
Dronken strompelen zes zeelieden door de stoffige straten van een klein vissersdorpje in de buurt van Kowloon. Het is 7 juli 1839. Ze lopen baldadig naar de plaatselijke tempel en beginnen deze te vernielen. Een dorpeling stormt op hen af om ze tegen te houden. Maar de dronken zeelieden geven de bemoeial een paar rake klappen. De arme Chinees is kansloos tegen de zes grote blanke mannen die hem net zo lang slaan tot hij dood op de grond neerstort.
Althans, zo gaat één versie van het verhaal. Volgens sommige bronnen zouden de zeelieden naar een drankhandel hebben gevraagd en een groepje dorpelingen hun hebben verteld dat er geen drankhandel te vinden was in het dorp. Daarop zou er een vechtpartij zijn uitgebroken, waarbij een dorpeling in de chaos een dodelijke klap had opgelopen. Zeker is dat zes dronken Engelse zeelieden op die desbetreffende dag in het desbetreffende dorpje in de buurt van Kowloon (inmiddels een wijk in Hongkong) een man met de naam Lin Weixi hebben doodgeslagen. De mannen waren naar China gestuurd om Indische opium het land binnen te smokkelen. De Britten verdienden met de illegale verkoop van opium het zilvergeld dat ze nodig hadden voor de verovering van India. Tot grote frustratie van de Britse handelaren voerde het Chinese keizerrijk juist een streng beleid tegen de opiumhandel, omdat het aantal Chinese verslaafden schrikbarend snel was toegenomen. Sinds de Keizerlijke Commissaris Lin Zexu zelfs een grote voorraad opium van de Britten in beslag had genomen en vernietigd, was de spanning tussen beide landen steeds hoger opgelopen.
Na de moord op Lin Weixi eiste de Keizerlijke Commissaris Lin Zexu dat de Engelsen volgens het Chinese strafrecht zouden worden veroordeeld en dus de doodstraf zouden krijgen. Maar de Britse vertegenwoordigers in China weigerden dit, zij wilden eerst onderzoeken of het om doodslag of om moord ging. Het 'Lin Weixi-incident', zoals het de geschiedenisboeken in zou gaan, leidde ertoe dat de Britten officieel de oorlog verklaarden aan China. Het was het begin van de beruchte Opiumoorlogen waarmee de Britten, onder andere, de legale verkoop van opium aan China hoopten af te dwingen. De militaire macht van de Britten bleek al snel vele malen groter dan die van de Chinezen, die weinig anders konden dan zich na een paar jaar over te geven. In 1842 kwam er een einde aan de Opiumoorlogen en werd het Verdrag van Nanjing gesloten. Dit verdrag stelde, onder meer, dat Hongkong aan de Britten zou worden afgestaan en dat vijf havens zouden worden opengesteld voor buitenlandse handel, waaronder het aan de oostkust gelegen Shanghai.
Vele bronnen schetsen het Shanghai van vóór het Verdrag van Nanjing als een achterlijk vissersdorpje dat na de komst van de Britten zou uitgroeien tot een bloeiende grote stad. Het is een romantisch beeld dat ook in de Chinese literatuur steeds terugkomt, zo ook in het in dit nummer opgenomen essay 'De "kleur van Shanghai" en de "kleur van Peking"' van Wang Anyi (1954-). Het essay geeft een karakteristiek beeld van hoe de meeste Shanghainezen hun stad en haar geschiedenis zien. In feite was Shanghai in 1842 allang een belangrijke handelsstad met ruim tweehonderd zeventigduizend inwoners en veel overzeese contacten. Maar vanuit Chinees perspectief gezien is dat niet erg groot en heeft Shanghai inderdaad een relatief korte geschiedenis. Bovendien heeft de stad tot de vorige eeuw nooit een politieke rol van nationaal belang gespeeld. Pas na het Verdrag van Nanjing zou hier verandering in komen. Shanghai werd overspoeld door binnen- en buitenlanders die het stadsleven ingrijpend zouden beïnvloeden, waardoor het imago van Shanghai en de manier waarop de stad gerepresenteerd wordt in de Chinese literatuur voorgoed veranderde. Sindsdien wordt Shanghai gekleurd door een mengeling van culturen die de stad een kosmopolitisch karakter geven. Dit nummer is opgedragen aan Lin Weixi, wiens gewelddadige dood de aanleiding was tot de dramatische ontwikkeling van Shanghai. Een ontwikkeling die, onderbroken door de Mao-periode (1949-1976), Shanghai tot een grote inspiratiebron zou maken.
Het Verdrag van Nanjing markeert het begin van een periode die in het communistische China de 'eeuw van vernedering' werd genoemd. In feite werden grote delen van Shanghai gekoloniseerd, vandaar dat er gesproken wordt over 'semi-koloniaal' Shanghai. De Fransen bestuurden de Franse Concessie waar boulevards in Europese stijl werden vernoemd naar generaals, zoals de Avenue Joffre en de Avenue Foch. De Amerikanen en Britten beheerden twee grote wijken die in de praktijk onder het directe bestuur van de Britten stonden en bewaakt werden door Britse politiemannen. In 1927 woonden er ruim drieëntwintigduizend buitenlanders in de internationale wijken die samen een groot deel van het centrum van Shanghai vormden, maar waarvan de overgrote meerderheid van de bewoners nog altijd Chinees was. Tot onvrede van de plaatselijke bevolking vielen de buitenlanders niet onder het Chinese rechtssysteem en werden de Chinezen vaak gediscrimineerd. Bepaalde parken waren alleen toegankelijk voor 'Chinese bedienden onder begeleiding van buitenlanders'.
Ieder jaar kwamen er nieuwe buitenlanders uit de hele wereld af op het 'Parijs van het Oosten', ook wel 'Paradijs voor Avonturiers' genoemd, waar de economische en culturele mogelijkheden oneindig leken. Bovendien voelden veel Chinezen die in Europa en Japan hadden gestudeerd zich meer thuis in de internationale concessies. Die wijken groeiden zo uit tot politieke en culturele broeinesten waar intellectuelen samenkwamen in koffiehuizen of villa's. Er werden filosofische en maatschappijkritische discussies gevoerd en nieuwe politieke partijen opgericht, zoals de Nationalistische partij in 1912 en de Chinese Communistische Partij in 1921. Ook hebben er veel grote Chinese schrijvers uit die tijd gewoond die zich lieten inspireren door het leven daar, zoals Mu Shiying (1912-1940), van wie in dit nummer 'Zwarte Pioen' en 'Het zilveren standbeeld' zijn opgenomen, en Liu Na'ou (1900-1939) van wie het verhaal 'Twee mensen buiten de tijd' afkomstig is.
De internationale wijken beleefden hun grootste bloeiperiode in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Shanghai veranderde in een sprankelende metropool waar neonreclame en de modernste auto's het straatbeeld bepaalden. Het was een stad die in één adem genoemd werd met Parijs, New York en Tokio. De Engelse politieman Richard Maurice Tinkler schreef in een enthousiaste brief naar huis: 'Shanghai is de geweldigste stad die ik ooit heb gezien. Ze loopt wel honderd jaar voor op alle Engelse steden en is de meest kosmopolitische stad ter wereld.' De nieuwste jazz, mode en trends werden in Shanghai gespot en beroemdheden uit de hele wereld overnachtten in het Cathay Hotel aan de Bund, de boulevard langs de Huangpurivier waar grote neoklassieke en art deco bankgebouwen, warenhuizen en hotels verrezen. De elite vermaakte zich in nachtclubs, opiumhallen, jazzcafés, bordelen of op de renbaan. Westerse en Japanse cultuur, van verheven kunst tot populaire modetrends, verspreidde zich snel in de internationale wijken. Hetzelfde gold voor westerse technologie, zoals gaslicht, elektriciteit, telefoon, leidingwater, auto's en trams. Via de internationale wijken drong deze westerse moderniteit uiteindelijk China binnen.
Vrijwel alle tijdschriften en vijfentachtig procent van de Chinese boeken werden gedrukt in Shanghai. Fuzhoustraat en Henanstraat waren beroemd om hun vele boekhandels: tweeënnegentig in 1939. In de Chinese literatuur werd Shanghai vaak verbeeld als een enclave, die cultureel afweek van de rest van China; een plek waar de Britten de naam 'Shanghailand' aan hadden gegeven. De stad werd voorgesteld als een typische moderne metropool die behalve een plek van vrijheid, avontuur en internationale cultuur, ook een plek van moreel verval, criminaliteit en prostitutie was. Bezoekers werden gewaarschuwd voor onbetrouwbare gokkers, opiumrokers en prostituees in geïllustreerde gidsachtige boekjes, waaruit in dit nummer drie verhalen zijn opgenomen onder de titel 'Bedrog in het bordeel'.
Shanghai heeft zich altijd afgezet tegen Peking. In de jaren dertig mondde de rivaliteit uit in een verhitte polemiek tussen schrijvers uit beide steden. Volgens de Pekinese schrijvers bestond het werk van hun Shanghainese collega's, dat ze het etiket 'Shanghainese Stroming' gaven, voornamelijk uit commerciële, sentimentele liefdesverhalen, doorspekt met buitenlandse decadentie en vervreemd van traditie en vaderland. De Shanghainese schrijvers verweten op hun beurt de schrijvers uit Peking dat hun werk (de 'Pekinese Stroming') behoudend was en vastgeroest in de traditie. Zij zagen zichzelf juist als vertegenwoordigers van een dynamische en liberale cultuur. De strijd werd aangevuurd door de criticus Zhou Zuoren (1885-1967, zie Het trage vuur 2, 10 en 20) die in een essay uit 1927, getiteld "Shanghai-stijl", de Shanghainese cultuur oversekst noemde. 'Aangezien Shanghai een buitenlandse kolonie' was, heerste er een cultuur 'van verraders, gangsters en prostituees, zonder enige rationaliteit of elegantie.' Lu Xun (1881-1936), broer van Zhou Zuoren en een van de belangrijkste moderne Chinese schrijvers (zie Het trage vuur 5, 6, 8 en 15), kwam tussen beide. In een ironisch essay noemde hij de Shanghainese schrijvers 'afgezanten van de handelaren' en de Pekingse schrijvers 'afgezanten van de ambtenaren', waarna hij een huwelijk voorstelde tussen de handelaar en de ambtenaar. Het is een cliché dat ook nu nog leeft. Zo zegt Wang Anyi in 2000 in haar 'De "kleur van Shanghai" en de "kleur van Peking"': 'Shanghainezen hebben één ideaal, namelijk rijk worden; mensen uit Peking hebben ook één ideaal, namelijk ambtenaar worden.'
Ondanks Lu Xuns interventie bleven de Shanghainese schrijvers zich verzetten tegen de term Shanghainese Stroming, waarmee de Pekinese schrijvers in eerste instantie neerbuigend hadden gedoeld op de 'Mandarijneenden en vlinders'-romans. Deze sentimentele liefdesromans in halfklassieke stijl zijn misschien het best vergelijkbaar met onze keukenmeiden- en kasteelromans. Later werden steeds meer werken tot de Shanghainese Stroming gerekend die het genre van de 'Mandarijneenden en vlinders' in literair opzicht ver overstegen. In Maoïstisch China zou de term Shanghainese Stroming helemaal verdwijnen, om eind jaren tachtig opvallend genoeg door Shanghainese schrijvers weer uit de kast te worden gehaald ter aanduiding van nieuwe stadsromans. Wat de oude en nieuwe werken binnen de stroming verbindt is de centrale plaats daarin van het dagelijkse leven in Shanghai, waarmee ze hebben bijgedragen tot het ontstaan van een Chinese stadsliteratuur.
De meest 'stadse' schrijvers binnen de Shanghainese Stroming van voor de communistische revolutie in 1949 zijn Nieuwe Zintuiglijken, die vooral in de jaren dertig actief waren. De Nieuwe Zintuiglijken waren beïnvloed door de Franse Surrealisten en de Japanse Nieuwe Zintuiglijken, waarvan de laatste door Liu Na'ou waren 'meegenomen' na zijn verblijf in Japan. De Nieuwe Zintuiglijken waren gefascineerd door de chaos en snelheid van het steeds veranderende straatbeeld en door de geluiden, geuren, kleuren en smaken van het stadsleven. Hun werk kenmerkt zich door de experimentele weergave daarvan, zoals een fragmentarische stijl en gebruik van montage, herhaling en ritme. In de verhalen van de belangrijkste Nieuwe Zintuiglijken, Mu Shiying en Liu Na'ou, is de westerse invloed ook terug te zien in het gebruik van Engelse termen als 'cream', 'they are off', 'come on', 'the fair sex' en buitenlandse automerken. De decadente personages laten zich in de verhalen vervoeren door swingende jazz, mooie vrouwen en luxe auto's en door materiële hebzucht, zoals het hoofdpersonage in Mu Shiyings 'Zwarte Pioen'. Tijdens een westers bal verzucht hij dat hij leeft 'in overdadige luxe, maar als je de jazzmuziek weghaalt, de foxtrots, de cocktails, de najaarsmode, de acht-cilinder racewagens en mijn waterpijp… dan blijft er een ontzield lichaam over'. Mu's 'Het zilveren standbeeld' begint en eindigt met een opsomming van de bezittingen van de arts vanuit wiens perspectief het verhaal wordt verteld. Het blijkt dat hij behalve een nieuwe auto nu ook een echtgenote tot zijn bezittingen kan rekenen (dankzij wie hij drie kilo is aangekomen). Op indringende wijze wordt in dit verhaal beschreven hoe de arts seksueel opgewonden raakt wanneer hij een naakte patiënte onderzoekt. Haar mysterieuze onverschilligheid en 'perfecte' maar 'bleek en zielloos vrouwenlichaam', hebben een gevaarlijk verleidelijke uitwerking op hem, maar doen hem uiteindelijk 'het gemis van een kind, en van een vrouw die naast hem zit te breien' beseffen. In de verhalen
van Mu en Liu worden vrouwelijke personages omschreven als mooie, moderne femmes fatales, door wie het mannelijke hoofdpersonage in eerste instantie geïntrigeerd raakt, maar door wie hij uiteindelijk meestal wordt verleid en bedrogen. Zo gaat het ook in 'Twee mensen buiten de tijd' van Liu Na'ou, dat zich op een paardenrenbaan afspeelt, waar een verleidelijke vrouw temidden van de 'goklustige meute' geïnteresseerd raakt in het hoofdpersonage als ze ziet dat hij geld wint.
Veel critici zien de 'nieuwe moderne vrouw' uit de verhalen van de Nieuwe Zintuiglijken als de belichaming van het Shanghai, waar westerse waarden de Chinese traditie dreigen te verdringen. Vrouw en stad intrigeren en verleiden de bewoners, en blijken tegelijkertijd de bron van moreel verval. Deze ambivalentie tegenover de moderne stad is in al het werk van de Nieuwe Zintuiglijken voelbaar. Toch werden ze door hun linkse collega's gezien als schrijvers die de westerse leefstijl en waarden leken te omarmen. Zodra de communisten in 1949 aan de macht kwamen zou hun werk dan ook grotendeels worden genegeerd, tot ver in de jaren tachtig. Er bestaat onduidelijkheid rond de dood van Mu Shiying en Liu Na'ou, maar men neemt aan dat ze beiden vermoord zijn door de communisten. Het communisme maakte vanaf de jaren vijftig een eind aan vrijwel alle westerse invloeden in Shanghai. De havenstad werd nu gezien als symbool van verderf: de plek waar alles wat de communisten verafschuwden hoogtij had gevierd. Buitenlandse banken werden gesloten, bedrijven genationaliseerd en gokken, opiumgebruik en prostitutie streng bestraft. Zolang Mao Zedong aan de macht was werd er amper geïnvesteerd in de infrastructuur en gebouwen in Shanghai. Shanghainezen zeggen hierover dat 'Shanghai niet meer was dan een verbleekte foto van zichzelf'.
Terwijl China een aantal jaren na de dood van Mao in 1976 in het teken stond van een nationale cultuurkoorts met levendige culturele en politieke debatten, leek Shanghai in de jaren tachtig nog steeds in een impasse te verkeren. Het lag economisch achter op andere grote steden, omdat overheidsinvesteringen vooral naar de hoofdstad Peking en naar de Speciaal Economische Zones (SEZ) in het zuiden gingen. Bovendien leek het zich nu ook cultureel niet prominent te kunnen manifesteren. In 1985 won voor de eerste keer geen enkele Shanghainese schrijver een nationale prijs in de categorie voor het beste korte verhaal. Dit bracht het invloedrijke literaire tijdschrift Shanghai Literatuur ertoe de discussie te openen over de vraag 'waarom de Shanghainese literatuur uit de jaren tachtig zo teleurstellend was'. Er werd gesproken over de 'Shanghainese ziekte' en er werden bijeenkomsten georganiseerd met schrijvers en critici uit het hele land om het probleem te bespreken. In deze discussies werd de Shanghainese literatuur uit de jaren dertig aangehaald als ijkpunt.
Het jaar 1990 betekende een keerpunt. In dit jaar verkreeg de stad eindelijk de zo begeerde status van SEZ. Dit was een grote triomf voor de stad die niet alleen een economische impuls teweeg zou brengen, maar ook een culturele. Shanghai leek haar zelfvertrouwen - door de rest van China 'arrogantie' genoemd - te hebben hervonden. Deng Xiaoping verklaarde zelfs in 1992 in zijn beroemde 'reis naar het zuiden' dat de enige grote fout die hij in zijn carrière gemaakt had was dat hij Shanghai niet in 1980 al bij de SEZs had gevoegd. Als het aan het huidige bestuur van Shanghai ligt moet de stad niet alleen het financiële hart van 'Supermacht China' worden, maar zelfs van heel Azië. Om dit doel te bereiken ondergaat Shanghai sinds 1990 en tot op de dag van vandaag een metamorfose op ongekende schaal. De stad is veranderd in één grote bouwput, waar dag en nacht het lawaai klinkt van het afbreken van oude huizen en het bouwen van de wolkenkrabbers die ervoor in de plaats komen: in de afgelopen vijftien jaar zijn er zevenduizend gebouwen van meer dan elf verdiepingen opgetrokken (waarvan bijna drieduizend hoger dan achttien verdiepingen) en is de bevolking explosief gegroeid, van zes miljoen in 1978 naar bijna twintig miljoen in 2006.
Uiteraard heeft de voortdurende verandering van de stad diepgaande invloed op de bewoners die iedere dag worden geconfronteerd met het verdwijnen van hun vertrouwde omgeving. In Bloem en van Chen Cun (1954- ) gaat het personage op zoek naar zijn ouderlijk huis, maar vindt daarvan alleen nog een muur tussen de ruïnes van de half afgebroken wijk: 'het was alsof je geliefde niet komt opdagen op dat afspraakje waar je zo lang naar hebt uitgekeken en waarvan je je zoveel had voorgesteld'. De schok doet hem verlangen naar iets natuurlijks in een stad waar het 'landschap in de laatste honderd jaar langzaam is uitgestorven.' Hij fantaseert hoe het zou zijn als midden op een drukke weg een koeienvlaai zou liggen waaruit een prachtige bloem zou bloeien. Maar alles wat Shanghai nog te bieden heeft is 'huizen en mensen in overvloed', waardoor de stad haar bijzondere karakter voor hem heeft verloren. Het is een stad geworden als alle andere, waar dan ook ter wereld.
Aan alle kanten van Shanghai ontstaan nieuwe buitenwijken met luxe huizen voor de opkomende stedelijke middenklasse. Het verhaal "Een inbreker in huis" van Ye Xin (1949-) speelt zich af in zo'n wijk. Het spannende verhaal over een gewelddadige inbraak laat zowel het perspectief van de inbreker als van het slachtoffer zien, waardoor de groeiende kloof tussen de werelden van arm en rijk pijnlijk zichtbaar wordt. De moralistische plot en voorzichtige kritiek op de corruptie onder de 'rijke stinkerds' is typerend voor veel van Ye Xin's generatiegenoten die het 'optekenen van misstanden in de samenleving' nog altijd als deel van hun taak als schrijver zien.
Opvallend genoeg worden juist de symbolen van Shanghai's 'vernederende' koloniale verleden gespaard door de verder niets ontziende sloperskogel: enkele delen van de oude Franse Wijk en de Bund langs de Huangpurivier. De gemeente heeft zich ervoor ingezet dat de internationale banken en hotels van vroeger zich weer in de panden aan de Bund hebben kunnen vestigen waar ze vijftig jaar eerder uit verdreven waren. In de officiële media wordt steevast gesproken over 'het doen herleven van de jaren dertig', een leus die in Mao's tijd nog ondenkbaar zou zijn geweest.
Aan de overkant van de Bund, de oostzijde van de Huangpurivier, ligt Pudong. Het was tot 1990 nog platteland, maar werd vanaf dat jaar een van de speerpunten van China. Inmiddels heeft Pudong zich ontwikkeld tot een duizelingwekkende futuristische skyline van glanzende wolkenkrabbers, die 's avonds een spectaculaire lichtshow oplevert, waar 'Shanghai's nachtkoningin' Mian Mian (1970-) aan refereert in het hier opgenomen fragment uit Panda Sex. De twee zijden van de rivier tonen het dubbele karakter van de huidige stad: Shanghai's transformatie zal het oude Shanghai doen herleven en tegelijk een nieuwe, hypermoderne metropool doen verrijzen.
Een analoog verschijnsel is dat naast de romans over het huidige Shanghai er ook een trend is in de literatuur waarin het semi-koloniale Shanghai een belangrijke rol speelt. De literatuur uit de jaren dertig (inclusief het door de linkse schrijvers verguisde werk van de Nieuwe Zintuiglijken) wordt in enorme hoeveelheden herdrukt, besproken en verfilmd. Hedendaagse schrijvers gebruiken het semi-koloniale Shanghai als setting voor hun (fictieve en historische) romans. Ook verschijnen er essaybundels die een beeld geven van de geschiedenis van Shanghai, zoals Wang Anyi's Op zoek naar Shanghai waaruit het essay 'De "kleur van Shanghai" en de "kleur van Peking"' in dit nummer is opgenomen. De populariteit van nostalgische romans gaat gelijk op met die van controversiële romans over 'seks, drugs en rock-'n-roll' die in het huidige Shanghai spelen.
De romans van Mian Mian, waarin de personages dronken en high de disco's van Shanghai afstruinen, zijn wellicht de bekendste in deze categorie. In Panda Sex toont Mian Mian de oppervlakkigheid van het hypermoderne stadsleven. Ze geeft een ironisch voorbeeld van hoe de onechtheid van dit bestaan ook de privé-sfeer binnendringt. Het personage ABC legt enthousiast de mogelijkheden van een nieuwe tv uit: 'Hij ontvangt dezelfde zenders als een gewone tv. Maar wat er wordt gezegd in de uitzending, en wat er te zien is, kan je helemaal veranderen. Zelfs de gezichtsuitdrukkingen. Je moet er alleen wat tijd in steken.' En ze voegt eraan toe: 'Je kunt de begrafenis die je net gefilmd hebt erin mixen, schat'. De vermenging van werkelijkheid en fictie komt ook tot uitdrukking in de vermenging van verschillende genres als roman, reisgids en dagboek. De personages worden op documentaire wijze gevolgd bij hun nachtelijke zwerftochten door de stad. In voetnoten geeft Mian Mian uitgebreide informatie: beschrijvingen van bestaande straten, adressen en websites van galerieën en restaurants en zelfs emailadressen van personen die in de roman voorkomen. De voetnoten zijn van even groot belang als de tekst zelf, wat ook mag blijken uit de keuze van een Chinese blogger die als 'favoriet boek' de 'voetnoten uit Panda Sex' noemt.
Toch is de tegenstelling tussen deze jongste generatie schrijvers en de Nieuwe Zintuiglijken minder groot dan ze op het eerste gezicht lijkt: de danssalons van de romans uit de jaren dertig weerklinken in de disco's, de opium in XTC, de jazzmuziek in housemuziek, de renbanen in gokken via internet; zelfs de losbandige seks in de hedendaagse romans doet niet onder voor de (homo-)erotische scènes van enkele Nieuwe Zintuiglijken. Zo lijken de 'seks, drugs en rock-'n-roll'-schrijvers van nu de draad weer op te pakken waar de Shanghainese Stroming hem zeventig jaar eerder heeft achtergelaten.