Nummer 37, maart 2007

Blue Boy blues
Lena Scheen

Pai Hsien-yung, Jongens van Glas. Vertaald uit het Chinees door Mark Leenhouts. Breda: Uitgeverij De Geus, 2006, 432 blz., ISBN 9789044505931, prijs € 22,50

Het is jammer dat André Hazes niet meer leeft om Jongens van Glas te kunnen lezen. Hij had zeker een prachtige smartlap over Blue Boy geschreven.

Blue Boy is een jongen die opgroeit onder het juk van zijn autoritaire vader, een verbitterde oud-militair. Als Blue Boy acht is, verlaat zijn moeder het gezin. Ze is verliefd op een jonge blazer en wordt danseres in zijn dansgroep. Blue Boy's enige troost is dat ze 'toch al een hekel aan hem had' en hij 'enkel vrees' voor haar voelde. Er is maar een persoon in Blue Boy's leven van wie hij zielsveel houdt: zijn broertje. Ze lezen samen kungfuromans, spelen oorlogje en slapen in één bed. Maar broertje krijgt tuberculose en sterft in Blue Boy's armen: 'toen de mensen van het ziekenhuis hem wilden wegdragen, schopte ik ze, zei dat ze van hem af moesten blijven'. Vlak erna wordt Blue Boy betrapt op 'onzedelijke handelingen met de laboratoriumbeheerder' en van school getrapt. Zijn vader kan de schaamte niet verdragen en zet hem het huis uit. De achttienjarige Blue Boy slaapt gedurende de eerste nacht op een bankje in het Nieuwe Park en betreedt zo het 'koninkrijk' van de Taipeise 'jongens van glas', homoprostitués die samenscholen rond de lotusvijver in het stadspark. Hier begint de roman.

Wie nu een sentimentele tranentrekker verwacht komt aangenaam bedrogen uit. Jongens van Glas is het meesterlijk vertelde, melancholische relaas van jonge jongens die worstelen met hun tegenstrijdige verlangens naar geborgenheid en vrijheid. Pai Hsien-yung (Bai Xianyong, zie ook Het trage vuur 4, 9 en 18) weet als geen ander de sfeer van de miljoenenstad Taipei uit de jaren '60 en '70 te tekenen: een jachtige stad die nog onder militair gezag valt en waar het extreme klimaat van hitte, tyfoons en aardbevingen constant zijn invloed doet gelden. Het verhaal begint in de zinderende hitte van augustus 1970: 'de lucht is zwoel, dik, en verstikkend, het lijkt wel gelei.' Het aanhoudende broeierige weer geeft het onzekere bestaan van de rondzwervende jongens een nog beklemmender gevoel. Overdag houden ze zich schuil, maar als het donker wordt en de lucht wat afkoelt komt hun koninkrijk tot leven: 'om middernacht gaan al die radeloze, eenzame harten op jacht, als wilde beesten die uit hun kooien zijn gebroken, met ontblote tanden en zwaaiende klauwen'.

De jongens worden beschermd en van eerlijke klanten voorzien door de imposante, oude meester Yang die zichzelf 'heeft uitgeroepen tot hoofdinstructeur van het park'. Meester Yang is van goede komaf en zelf ooit weggelopen omdat hij geld had gestolen van zijn vader voor zijn liefje Welpje de Oermens, een reusachtige jongen die lijdt aan een ernstige vorm van epilepsie. Blue Boy sluit vriendschap met drie lotgenoten uit het park: de kleptomanische Rat die met zijn gewelddadige broer woont, de goed gebekte Jade die ervan droomt zijn vader te vinden in Japan, en de zwaarmoedige Wu Min, wiens vader in de gevangenis zit, en die een zelfmoordpoging doet als zijn suikeroompje hem het huis uit zet voor een ander.

Zoals uit deze verkorte 'dramatis personae' al blijkt, hebben de meesten een gecompliceerde relatie met hun vader (of zoon). Vertaler Mark Leenhouts schrijft in zijn nawoord: 'Als er iets opvalt aan de roman is het dat de hoofdpersonen maar weinig woorden vuil maken aan hun homoseksualiteit, en dat de roman door een ander, veel groter thema wordt beheerst, namelijk dat van de verhouding tussen vader en zoon'. Deze vader en zoon thematiek leent zich goed voor uiteenlopende interpretaties, zo hebben critici het geduid als een metafoor voor zowel de politieke verhouding tussen China en Taiwan, als het conflict tussen de Confucianistische samenleving en het individu.

Een ander thema van de roman is de eenzaamheid van de ontheemde. Dit geldt niet alleen voor de homoseksuele jongens die als 'zondige zonen' geen aansluiting vinden in de samenleving, maar ook voor hun vaders, die afkomstig zijn van de generatie Nationalistische militairen die in China nog tegen de communisten en Japanners gevochten hebben. Zij zijn in 1949 van China naar Taiwan gevlucht, hun familie grotendeels achterlatend, met het idee zo snel mogelijk weer naar hun moederland terug te keren. De groep vormde indertijd twintig procent van de samenleving en hoewel de Nationalisten van Chiang Kai-shek aan de macht waren werden ze nog altijd aangeduid als 'mensen van de buiten-provincies'. In de roman blijken bijvoorbeeld ook de vrijwilligers van een weeshuis uit deze groep te bestaan: 'Ze hadden het niet slecht, maar voelden zich eenzaam op hun oude dag en vonden troost in het weeshuis.'

Terwijl de lezer de geheel onbekende wereld van homoprostitués in Taipei wordt in gesleept, krijgt hij zo tegelijkertijd ook een indringend beeld van zowel de stad als de problematiek van het land. Maar het meest aangrijpende aan de roman is wellicht Pai Hsien-yungs weergave van het verlangen naar vrijheid, vriendschap en erkenning van deze eenzame verschoppelingen en ontheemden.

Jongens van Glas werd na de publicatie in 1983 al snel geroemd als 'eerste homo-erotische roman van Azië'. Het heeft een belangrijke rol gespeeld voor homobewegingen in zowel Taiwan als China. In 1986 werd het verfilmd en in 2003 maakte de Taiwanese publieke omroep er zelfs een televisieserie van. Het is nu alleen nog wachten op het eerste levenslied over Blue Boy, maar voorlopig zullen we het nog moeten doen met de 'Blue Boy blues' uit 1922 van Cole Porter. Hij liet zich inspireren door hetzelfde schilderij als waar Pai Hsien-yung ook de naam van zijn hoofdpersoon aan ontleende, Gainsborough's 'The Blue Boy':

For I'm the Blue Boy
The beautiful Blue Boy
And I am forced to admit
I'm feeling a bit depressed

We've got the Blue Boy blues
We've got the doggone Blue Boy blues
We fairly feel it oozing from our heads
Down to our shoes

 

terug naar inhoudsopgave nummer 37