Nummer 41, maart 2008

‘Het Duitse reisgezelschap Bethge en Klabund’

De ontdekking van de Chinese poëzie in Nederland en Vlaanderen

Arie Pos

 

Het lijkt tegenwoordig vanzelfsprekend dat Chinese poëzie vertaald wordt door vakbekwame sinologen. Hoewel ook de eerste poëzievertalingen ooit door heuse ‘oriëntalisten’ werden gemaakt, is de ontdekking en brede verspreiding van Chinese gedichten in het westen voornamelijk te danken geweest aan de inspanningen van (na)dichters. Zij bewerkten het basismateriaal dat door vakmensen werd geleverd en maakten het verteerbaar voor westerse lezers. De kennismaking ontketende in verschillende Europese landen een mode die tot talrijke nadichtingen en bewerkingen leidde en die in Nederland en Vlaanderen tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw aanzwol tot een ware chinoiserierage.

            De Chinese klassieke dicht- en prozakunst en filosofie waren in de loop van de negentiende eeuw onderwerp van studie geworden en sinologen maakten talrijke vertalingen van klassieke teksten. Hun pionierswerk bracht de Chinese literatuur en met name de poëzie onder de aandacht van westerse schrijvers. Die zagen in ruwe vorm – de sinologen streefden meer naar een getrouwe vertaling dan naar mooie poëzie – allerlei aantrekkelijke beelden en gedachten voor zich en zetten zich aan het bewerken ervan in de eigen taal. Behalve het werk van Chinese dichters inspireerde tezelfdertijd het werk van Perzische dichters – vooral Omar Khayyam en Hafis – tot navolgingen. De populariteit van de oosterse dichters lijkt te verklaren uit de gemoedsgesteldheid van het fin-de-siècle kunstenaarsmilieu. De poëzie was epicurisch en dionysisch, en sloot goed aan bij de pluk-de-dag, na-ons-de-zondvloed en Wein-Weib-und-Gesang euforie van het op de rand van de afgrond balancerende avondland: God was dood en de westerse cultuur was aan het eind van haar latijn, dus wilde men leven in extase tot de dood erop volgde. Tegenover de verstarde klassieke poëtische vormen, de in gecompliceerde subjectieve gevoelens wroetende ik-lyriek, de weemoed om verloren geliefden en paradijzen en breedsprakig religieus of sociaal idealisme werden eenvoudige verzen over de aanvaarding van het kortstondige aardse bestaan gesteld. De Pers Omar Khayyam (ca. 1018-ca. 1123) en de Chinees Li Tai Po (Li Bai, 701-762) – de twee wijndichters bij uitstek – groeiden uit tot ware culthelden.

            Opmerkelijk is dat er voor de Japanse poëzie veel minder belangstelling bestond dan voor de Chinese en Perzische. De eerste introductie van Japanse lyriek dateert eveneens uit de tweede helft van de negentiende eeuw en de belangstelling voor Japanse kunst deed in die tijd bepaald niet onder voor die voor kunstvoorwerpen uit China. Een aantal dichters maakte bewerkingen en met name in Frankrijk veroorzaakte de ontdekking van de haiku in de eerste decennia van de twintigste eeuw een rage, maar in het algemeen had de belangstelling voor de Japanse lyriek bij lange na niet de omvang van die voor Omar Khayyam en de Chinese dichters. Als voorzichtige verklaringen kunnen misschien dienen het al genoemde gunstige geestesklimaat voor de ontvangst van de als grootste Chinese dichter beschouwde Li Tai Po, het belang van de Engelse vertalingen van Ezra Pound en Arthur Waley en de populariteit van de bewerkingen van Bethge en Klabund in Duitsland. Verder zou het gegeven dat de Chinarage in de poëzie veel groter was in Engeland en Duitsland dan in Frankrijk, terwijl daar de haiku juist enthousiast werd beoefend, een indicatie kunnen zijn dat dichters na een eerste kennismaking voor een van beide cultuurgebieden kozen.

            De invloed van de Chinese poëzie laat zich niet eenvoudig tot controleerbare vormkenmerken herleiden. De westerse lezer werd geconfronteerd met een kleine keuze van zeer diverse gedichten uit een hem wezensvreemde cultuur, van uiteenlopende dichters uit een periode die ruim de ouderdom van de westerse cultuur overtrof – ook al was het overgrote deel van de Chinese poëzie die vertaald werd afkomstig uit de periode van de Tangdynastie (618-906). De diversiteit van het gebodene had geen eenduidige invloed op de schrijvers, zoals Omar Khayyam die wel kon hebben. Die schreef dan ook verzen met een voor de westerling duidelijk herkenbare filosofie in een consequent gehanteerde eenvoudige vorm: het zogenaamde oosterse kwatrijn van vier vijfvoetige jamben met een aaba-rijmschema. Als voorbeeld een van zijn bekendste verzen uit de eerste Engelse vertaling van Edward Fitzgerald (The Rubaiyat of Omar Khayyam, 1859):

 

            A Book of Verses underneath the Bough,

            A Jug of Wine, a Loaf of Bread – and Thou

            Beside me singing in the Wilderness –

            Oh, Wilderness were Paradise enow!

 

De sinologen die rond de eeuwwisseling Chinese poëzie in vertaling publiceerden, vertoonden een sterke neiging aansluiting te zoeken bij wat bekend was. Ze kozen uit een vrijwel onafzienbare hoeveelheid gedichten een flink aantal verzen waarin de lezer elementen herkende uit de decoratieve chinoiseriemode die sinds de achttiende eeuw een gestereotypeerd beeld van het exotische China in westerse huiskamers had gebracht: paviljoens van porselein, bruggen van jade, maneschijn, perzikbloesems, rieten fluitjes, een bootje op een meer. Niet zelden waren de chinoiserie-elementen door de bewerkers toegevoegde franje. Andere verzen trok men door verwijzingen naar verwante passages in het werk van Europese dichters binnen het westerse begripskader. H.A. Giles voorzag zijn vertalingen in Chinese Poetry in English Verse (1898) zelfs van titels die de gedichten uitdrukkelijk binnen een westers referentiekader plaatsten: ‘Sic transit’, ‘Carpe diem’, ‘Wanderjahre’, ‘A snap-shot’, ‘Solo chi segue ciò che piace é saggio’, ‘Amari aliquid’ enzovoort. Verder maakten ze hun vertalingen vaak in regelmatige ritmische en rijmende vorm, waarbij ze niet keken op wat uitbreidingen binnen het vers om aan de vormeisen te voldoen. De vorm was daarom in eerste instantie niet de aantrekkelijkste of meest verrassende factor. Men raakte meer geboeid door de inhoud. Enerzijds door de herkenbare Chinese couleur locale, anderzijds door de nuchterheid en de levensaanvaarding die eruit sprak. Aanvankelijk waren punten van kritiek dat de gedichten eigenlijk nergens over gingen en dat ze niet meer dan plaatjes of stemmingsbeelden waren. Maar voor jonge dichters werden dit juist belangrijke en baanbrekende aspecten.

 

Bethge en Klabund

Het begin van de chinoiseserierage in de Europese poëzie ligt kort na de eeuwwisseling, korte tijd nadat men kennis kon nemen van de eerste Franse, Duitse en Engelse vertalingen van Chinese gedichten. Startpunt voor de Europese mode was de bundel Le livre de jade (1867) van Judith Walter, pseudoniem van Judith Gautier (1845-1917), de flamboyante dochter van de Franse dichter en ‘exoot’ Théophile Gautier, die de Chinese literaat en politieke vluchteling Ding Dunling bij zich in huis nam en als onderwijzer van zijn dochter aanstelde. Ding onderwees haar in de Chinese taal en cultuur en vertaalde een aantal klassieke Chinese gedichten die zij bewerkte tot Franse prozagedichten. De bundel was een sensatie en werd ook in het buitenland een succes. De interesse voor Chinese poëzie was gewekt, het verband tussen Li Tai Po en Khayyam was door Gautier in haar voorwoord gelegd, en her en der verdiepte men zich ook in wat er aan vakvertalingen voorhanden was.

            Vooral in Duitsland, dat in de periode 1897-1900 met twee spectaculaire militaire campagnes een concessie in Shandong had veroverd en dat succes breed uitmat, stond China enorm in de belangstelling. Hans Bethge (1876-1946) stelde een bundel rijmloze metrische bewerkingen van Chinese gedichten samen die in 1907 verscheen onder de titel Die chinesische Flöte. Hij baseerde zich op Chinesische Lyrik (1905), een bundel prozabewerkingen naar vakvertalingen van Hans Heilmann, Le livre de jade en Poésies de l’Époque des Thang (1862) van de Franse oriëntalist Marquis d’Hervey Saint-Denis (1823-1892). Het boekje bevatte drieëntachtig gedichten uit de periode vanaf de Shijing (Boek der Oden, 10de tot 7de eeuw v. Chr.) tot 1900, met een sterke nadruk op de Tangdynastie, die met 36 gedichten prominent aanwezig was. De Tangdichter Li Tai Po was met vijftien gedichten het best vertegenwoordigd, gevolgd door zijn tijdgenoot en bewonderaar Tu Fu (Du Fu, 712-770) met negen verzen. In een informatief ‘Geleit-wort’ gaf Bethge enige uitleg over de Chinese verskunst en wees hij op de Tangperiode als de grootste bloeitijd van de Chinese dichtkunst, met Li Tai Po als de onbetwist grootste dichter.

            De bundel van Bethge werd een enorm succes. Gustav Mahler bediende zich voor Das Lied von der Erde (1908) van teksten van Li Tai Po in de bewerking van Bethge. Deze zette zich voortvarend aan het bewerken van andere exotische poëzie: Japanse, Arabische, Perzische (Omar Khayyam) en later ook een nieuwe bundel Chinese verzen, Pfirsichblüten aus China (1923). Geen van de bundels evenaarde echter het succes van Die chinesische Flöte, waarvan meer dan honderdduizend exemplaren werden verkocht. Naast Bethge waren tal van andere Duitse bewerkers en vertalers actief, en in de jaren tien en twintig verscheen de ene bundel na de andere.

            Naast Bethge was de succesvolste Duitse bewerker van Chinese poëzie Alfred Henschke (1890-1928), beter bekend onder zijn pseudoniem Klabund. Hij was een van de jonge Duitse auteurs die het uitbreken van de Wereldoorlog als een welkome intensivering van het leven toejuichten. Zijn tuberculeus gestel maakte hem echter ongeschikt voor de krijgsdienst, waarvoor hij zich als vrijwilliger had aangemeld. Hij kon niet anders doen dan de oorlog bejubelen met zijn pen en schreef euforische oorlogsgedichten en soldatenliederen. Zodra zijn eerste vrienden aan het front sneuvelden of oorlogsinvalide werden, veranderde zijn visie op het glorieuze krijgsbedrijf. Na de drie ‘Kriegs-einakter’ verzameld in Kleines Kaliber (1914) en de bundels Klabunds Soldatenlieder (1914), Kleines Bilderbuch vom Kriege (1914) en Dragoner und Husaren (1915), publiceerde hij een bundel ‘Chinesische Kriegs-lyrik’, Dumpfe Trommel und berauschtes Gong (1915), waarin voor het eerst enige bezinning op het oorlogsgeweld doorklinkt, evenals kort daarna in de grote bloemlezing Das deutsche Soldatenlied (1915).

            Hij was zeer onder de indruk van de Chinese literatuur geraakt nadat hij in 1915 een vriend ‘Der Pavillon aus Porzellan’ van Li Tai Po in de vertaling van Bethge had horen voordragen. ‘Das ist unglaublich schön. Nur muss man’s anders übertragen. Morgen gehe ich auf die Bibliothek’, schijnt hij uitgeroepen te hebben – en binnen twee maanden had hij een stapel vertalingen klaar waarmee hij bij de Insel-Verlag terecht kon: de oorlogsverzen. Zijn bewerkingswijze week inderdaad sterk af van die van Bethge. Klabund zag rijm als een onmisbare factor in de vertaling. Terwijl Bethge rijmloze metrische verzen van regelmatige regellengte schreef, fabriceerde de expressionist Klabund een soort vrije verzen met eindrijm, die niet in de traditionele versmaat en -bouw te passen waren. Bovendien ging hij aanzienlijk vrijer met de inhoud om. Polemiserend tegen Bethge schreef hij in het nawoord van Dumpfe Trommel und berauschtes Gong:

 

Die Monopodie der chinesischen Sprache erweckt (bei äusserlicher Betrachtung) der Eindruck der Monotonie. Die Unruhe, Beweglichkeit, Buntheit, Absonderlichkeit der chinesischen Bilder, Klänge, Sinne durch deutsche Jamben, durch ungereimte Zeilen, durch wohlfeile Feilung wiederzugeben – erscheint mir als eine (unbewusste) Fälschung des chinesisch-lyrischen Charakters. – Die vorliegenden chinesischen Gedichte sind durchaus keine Übersetzungen. Sondern Nachdichtungen. Aus dem Geist heraus. Intuition. Wiederaufbau. (Manche Säulen des kleinen Tempels mussten versetzt oder umgestellt werden).

 

Met grote werklust vertaalde Klabund verder uit de Chinese literatuur. Hij publiceerde een keuze uit het werk van Li-tai-pe (1916), de bloemlezing Das Blumenschiff (1919) en een vertaling van Das Buch der irdischen Mühe und des himmlischen Lasters (1921) van ‘Wang Siang’ en van de Sprüche (1921) van Laozi. Later bewerkte hij nog het toneelstuk Der Kreidekreis (1925) naar Li Hsing-tao. Zijn tekst zou als libretto dienen voor de gelijknamige opera van Alexander von Zemlinsky die in 1933 in première ging en Brecht inspireren tot Der kaukasische Kreidekreis (1948). Klabund bewerkte verder onder meer nog gedichten van Omar Khayyam en Hafis, een Japans toneelstuk en geisha-liederen. Hij ging zo op in de sfeer van zijn vertalingen en bewerkingen dat hij eigen gedichten schreef die hij als nauwelijks van echt te onderscheiden pastiches in de bundels opnam.

 

Bethge en Klabund in het Nederlands

De twintigste-eeuwse Nederlandse belangstelling voor de Chinese poëzie lijkt voornamelijk ontstaan onder invloed van Bethges succesvolle Chinesische Flöte. In 1916 publiceerde Jules Schürmann, een minor poet die in De Nieuwe Gids publiceerde, een eerste bundel Chineesche verzen, voor het overgrote deel vertalingen naar Bethge. De bundel had een exotisch uiterlijk: het omslag was knalgeel en versierd met een zwart vignet dat een draak voorstelde. Belangrijke thema’s in deze eerste kennismaking met Chinese poëzie in het Nederlands waren liefde, weemoed om verwijdering of vergankelijkheid en de troost van natuur en wijn. Frequent voorkomende ingrediënten: vijvers, lotusbloemen, perzikbloesems, ranke en blanke vrouwengestalten, de maan, de jaargetijden lente, herfst en winter, bootjes en fluitjes van jaspis – allemaal elementen uit het achttiende-eeuwse chinoiserie-China.

De bundel van Hans Bethge was zo populair dat uitgeverij Meulenhoff een integrale vertaling publiceerde van de hand van Hélène Swarth (1859-1941). Het boekje, De chineesche fluit, verscheen in 1922, voorzien van een fraaie exotische bandtekening, in de reeks ‘Bibliotheek der dichters’. Op de tekening is een fluitspelende Chinees in zijden gewaad te herkennen, die onder een treurwilg in het maanlicht aan een vijver zit. Swarth, een bekende en gewaardeerde dichteres van weemoedige liefdespoëzie uit de periode na Tachtig, volgde trouw haar Duitse voorbeeld: ze vertaalde in overwegend rijmloze, metrische verzen. Hieronder volgt haar vertaling van een vers van Li Tai Po dat als een van de meest representatieve uit de internationale chinoiseriemode in de poëzie kan gelden. Het werd het eerst vertaald door Judith Gautier. Daarna werd het door vrijwel alle buitenlandse bewerkers die zich op Le livre de jade baseerden overgenomen. Bethge en Klabund vertaalden het beiden en via hun bundels bereikte het Nederlandse dichters.[i]

 

 

            Het porceleinen paviljoen

 

            Midden in den kleinen vijver

            Staat een paviljoen van grasgroen

            En van melkwit porcelein.

 

            Als een tijgerrug zoo welft zich,

            Maanbeglansd, de brug van jade

            Naar het groenwit paviljoen.

 

            In het huisje zitten vrienden,

            Fraai gekleed en drinken, praten –

            Velen schrijven lenteverzen.

 

            En hun zijden mouwen glijden

            Achterwaarts, hun zijden mutsen

            Zitten vroolijk in hun nek.

 

            Op de stille kristallijnen

            Oppervlakte van den vijver

            Spiegelt alles wonderbaar.

 

            De omgekeerde boog van ’t brugje

            Lijkt een halve maan. De vrienden,

            Fraai gekleed, zij drinken, praten,

 

            Alle staandë op hun hoofden,

            In het paviljoen van grasgroen

            En van melkwit porcelein.

 

Sinologen hebben zich nooit erg geïnteresseerd getoond in het gedicht, en in bundels vertalingen direct uit het Chinees komt het nauwelijks voor. Als het al te vinden is, blijkt het een weinig opmerkelijk vers te zijn. Er is wel sprake van een paviljoen, maar dat is niet van porselein. De brug blijkt van marmer. Van de kleding noemt Li Bai alleen de mutsen. Zijde komt in het hele gedicht niet voor. De vrienden zien de bloemen van het terras, die spiegelen in het water van de vijver en daar dansende meisjes lijken. Ook de herhalingen van de laatste twee regels van de eerste strofe ontbreken. Gautier maakte van het vers een chinoiserie die op een kamerscherm niet zou misstaan. Dat sloot mooi aan bij het aantrekkelijke westerse chinoiseriebeeld en de latere bewerkers herkenden daar direct ‘hun’ China in.

            Het eerste succes van Bethge in Nederland was voor een groot deel gebaseerd op het exotische element in de verzen. Vele ervan lieten zich gemakkelijk plaatsen in het algemeen bekende chinoiseriebeeld. De goede ontvangst van Klabunds vertalingen lijkt daarentegen vooral toe te schrijven aan het levensgevoel dat eruit spreekt en aan de modernere, expressionistische vorm. Daarmee zijn de twee belangrijkste lijnen waarlangs de belangstelling voor de Chinese poëzie zich ontwikkelde aangegeven. Binnen de Nederlandse literaire context waren voor 1916 al twee ontwikkelingen begonnen die een belangstellende ontvangst van de Chinese poëzie konden bevorderen. In de eerste plaats was er een toenemende geestelijke verdieping in de poëzie waar te nemen, waarbij een aantal dichters zich richtte op de gedachtenwereld van de niet-christelijke cultuur. De klassieke Grieken (Plato in het werk van P.C. Boutens en J.A. dèr Mouw, Epicurus in het werk van J.H. Leopold); Perzische dichters (vooral Omar Khayyam, onder meer in het werk van Boutens en Leopold) en de Indische filosofie (in het werk van J.A. Dèr Mouw) waren belangrijke inspiratiebronnen. Evenals in het buitenland – maar met een aanzienlijke vertraging – maakte het levensgevoel van Omar Khayyam[ii] opgang: de levensaanvaarding in het besef van het voorbijgaande van leven, liefde, vreugde en verdriet.

            Naast deze filosofische verdieping viel er een hernieuwde concentratie op de vorm van het gedicht te constateren. De subjectieve ik-lyriek in vaste vormen (met een voorkeur voor het sonnet en de bijbehorende rijmvoorschriften en jambische vijfvoeters) van Willem Kloos had school gemaakt, maar was onder zijn navolgers langzamerhand verwaterd tot een obligate sonnettenbakkerij van natuur- en gevoelslyriek. Daarop werd door vormbewuste dichters gereageerd met strenge classicistische vormeisen (bijvoorbeeld in het werk van P.C. Boutens en Geerten Gossaert), een persoonlijker gebruik van de traditionele versvormen (bij onder meer Jacob Israel de Haan, J.C. Bloem en A. Roland Holst) en met experimenten op het gebied van vorm en woordgebruik. Herman Gorter had al in 1890 een bundel Verzen gepubliceerd, waarin hij de traditionele ritme-, lettergreeptal- en strofeschema’s verliet en het rijm nieuw leven inblies. J.H. Leopold volgde Gorter later op deze weg. De gebonden vorm bleef aanvankelijk overheersen, maar rond 1916 begon een nieuwe generatie te zoeken naar nieuwe vormen, waarbij Gorter en Leopold als voorlopers werden herkend. De jongere dichters gaven tevens uiting aan een jong, vitaal en intens levensgevoel. De expressionistische vertalingen van Klabund sloten wat vorm- en levensgevoel betreft goed aan bij hun idealen.

            De Chinese poëzie lijkt na 1916 in Nederland een katalysator-functie te hebben vervuld in de twee eerder begonnen verbonden ontwikkelingen. De eenvoudige taal was een probaat tegengif tegen het verheven, dichterlijke taalgebruik en kon een aanmoediging zijn om het voorbeeld van Gorter, Leopold en Dèr Mouw te volgen. Het gebruik van concrete beelden had een suggestieve werking die weldadig aandeed na de expliciete, hevig lyrische gemoedsuitstortingen van Kloos c.s. De vormen die men in de bundels, voornamelijk Duitse, vertalingen zag (men had geen idee van de zeer strikte regels waaraan bijvoorbeeld een Tanggedicht voldeed) inspireerden tot versbevrijdende experimenten die het pionierswerk van Gorter en Leopold voortzetten. In de gedichten vond men nieuwe beelden om uiting te geven aan pacifistische, humanitaire, vitalistische en amoureuze gevoelens. De dichters kozen hieruit de elementen die bij hun poëtica en thematiek aansloten.

 

Klabund en de jongere generatie

Voordat de ontvangst van de vertalingen van Klabund nader aan de orde komt, is het nodig even stil te staan bij verschillen in keuze van verzen tussen de bundels van Bethge en Klabund. In dat onderscheid tekent zich een soort generatiekloof of tijdsbarrière af. Bethge presenteerde een kleine, binnen de beperkte mogelijkheden representatieve keuze uit de Chinese poëzie. Hij wees op Li Tai Po als de grootste dichter en als goede tweede vermeldde hij Tu Fu, zoals ook Gautier had gedaan. Klabund ging aanzienlijk rigoureuzer te werk. Zijn eerste bundel bevatte een verzameling oorlogsverzen en benadrukte daarmee een kant van de Chinese poëzie die in Bethges boek vrijwel afwezig was. Zijn tweede bundel was geheel aan Li Tai Po gewijd, van wie hij veertig verzen bewerkte. Daaronder bevinden er zich dertien die eerder door Bethge werden vertaald. De overige verzen cirkelen vrijwel alle rond de thema’s oorlog, wijn en intens leven.

            In de Nederlandse situatie werd die scheiding doorgetrokken. Schürmann liet juist de gedichten met toespelingen op oorlog, de extatische wijnliederen en liefdeszangen onvertaald, waardoor zijn verzameling eenzijdiger, braver en ingetogener werd dan die van Bethge. Hij sloot daarmee aan bij de heersende golf van bedaagde stemmings- en natuurlyriek. Swarth vertaalde alles van Bethge maar bevestigde daarmee de kloof tussen hem en Klabund, wiens vertalingen inmiddels in Nederland bekend waren geworden. De jongere dichters vonden elkaar in hun afkeer van de naar vorm en inhoud verwekelijkte na-Tachtigerlyriek. Met het Duitse en Vlaamse expressionisme deelden ze een nieuw levensgevoel: intensiteit, vitaliteit, roes. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij zich meer tot de krachtige, expressieve, zelfs expressionistische vertalingen van Klabund aangetrokken voelden.

            In België werd het expressionisme met het bijbehorende moderne levensgevoel eerder ontdekt dan in Nederland, dat de Wereldoorlog in het isolement van de neutraliteit had doorgebracht. Het ‘slagveld van Europa’ bood een vruchtbare bodem voor vernieuwingstendenzen en jong elan. Het morgenrood van een nieuwe mensheid en een bijbehorende eigentijdse uitdrukkingswijze braken door in de bundel Het sienjaal (1918) van Paul van Ostaijen, die met zijn debuutbundel Music-hall (1916) al bewezen had moderne, expressieve verzen te kunnen schrijven in vrije vormen. Van Ostaijen toonde zich met Het sienjaal een belangrijke representant van wat wel het humanitair expressionisme is genoemd, naast o.m. Wies Moens, Gaston Burssens en A.W. Grauls. De twee laatste dichters maakten kennis met het expressionisme via het werk van Klabund en raakten daardoor in hun beginjaren diepgaand beïnvloed. Beiden bewerkten een aantal van zijn vertalingen uit het Chinees en bundelden die in 1919, Grauls in Oostersche lyriek, Burssens in De yade-fluit. De humanistische bedoelingen van de dichters blijken direct uit de keuze van de verzen. Ze bewerkten een flink aantal van de gedichten over de gruwelen van de oorlog uit Klabunds Dumpfe Trommel und berauschtes Gong.

            De bundel van Grauls bevatte zestien Chinese gedichten, waaronder negen van Li Tai Po en twee van Tu Fu, en verder Japanse en Perzische verzen, zigeunerliederen en een Hebreeuws lied. De Chinese verzen gaan alle terug op Klabund. Het omslag van de bundel is rood met zwarte strepen, geïllustreerd met tuintafereeltjes: bloemen, vogels, een kikker, een meisje. Grauls opent zijn bundel, evenals Klabund, met ‘Geklaag der garde’, een gedicht uit de Shijing.[iii]

 

            Geklaag der garde

           

            Generaal!

            Wij zijn des keizers leiders en loten!

            Wij zijn als water in zee gevloten...

            Ons bloed hebt gij te vergeefs vergoten...

            Generaal!

 

            Generaal!

            Wij zijn des keizers leeuwen en uilen!

            Onze kindren hongren... Onze vrouwen huilen...

            Onze knoken verrotten in vreemde kuilen...

            Generaal!

 

            Generaal!

            Uwe oogen spuwen vrees en hoon!

            Onze moeders tehuis hebben karig loon...

            Welke moeder bezit nog een enkelen zoon?

            Generaal?

 

De vertaling is vrij getrouw, maar een pikant detail vormen de leeuwen in de tweede strofe, waar Klabund ‘Adler’ heeft. Grauls liet zich dat nationale symbool niet opdringen, integendeel, van de Duitse Adelaar maakte hij de Vlaamse Leeuw. De Chinese tekst heeft het neutralere ‘’s Konings klauw en slagtand’.

            Andere titels uit Grauls’ bundel zeggen genoeg over de inhoud: ‘De moede soldaat’, ‘Dood der jongelingen op het slagveld’, ‘Soldaat met hond en zwart vaandel’. Gedichten met minder sprekende titels als ‘Voor het raam’ en ‘Nachtlied’ gaan over de verwijdering tussen de krijgsman en zijn thuis achtergebleven vrouw. Het meest curieuze en opvallendst expressionistische gedicht in Grauls’ bundel is het volgende:

 

            Rit

 

            De schimmel dampt. Als honden springen bruin

            de bosschen naar den weg. De Tempel. Vroom

            geluid des morgens. Schuine zonne hangt

            als nachtlantaarn in overtrokken lucht.

 

            Volmaakt geluk, hoog op een ros te rijden

            en vleugels hebben. Over ’t gouden veld.

            Een pijl. Ik word zoo groot. Tweepootig valt

            het beest in ’t licht. In zijne holle oogen

            ontzetting stijgt gelijk een zwarte berg.

 

Klabund schrijft het gedicht toe aan een onbekende dichter. Het is een van zijn zeer weinige rijmloze vertalingen uit het Chinees en opvallend zijn, ook in het Duits, de onalledaagse beelden en de korte, soms elliptische zinnen. Ook de snelheid en intensiteit doen zeer expressionistisch aan. Deze factoren samen roepen ernstige twijfels op over de Chinese oorsprong van het vers. Tot die twijfels geeft de figuur Klabund enige aanleiding, want in zijn bundels vertalingen uit het Japans en Perzisch nam hij, zoals door specialisten werd aangetoond, een aantal verzen van eigen hand op die hij onder invloed van de exotische poëzie had geschreven.

            Vergelijkbare twijfels rijzen bij het gedicht ‘Der müde Soldat’, dat zowel door Grauls als Burssens werd vertaald. Klabund schrijft het gedicht toe aan de ‘Schi-king’, maar daarin is geen directe bron voorhanden. Er zijn wel enkele gedichten te vinden waarin een verwante vermoeide afkeer van het krijgsbedrijf een rol speelt, maar ze missen de in Klabunds gedicht vitale beelden. De Vlaamse vertalers herkenden in het vers de situatie van de soldaat uit de Wereldoorlog die Klabund erin gelegd had. Ook onder latere vertalers genoot het gedicht een grote populariteit.[iv] Burssens maakte de volgende bewerking:

 

            En geen soldaat meer zijn

 

            Zovele schrale meisjes. Ontloofd

            als jonge boompjes. – Allen ga ik ze voorbij,

            Want allen staan ze rij aan rij

            en hoofd aan hoofd.

 

            Wat kunnen me tans nog de goden schelen,

            en in m’n dorpje ’t avendrood?

            Ik heb honderd wonden en niets meer kan ze helen.

            Ik heb de dood gezien, zo menigmaal en zo groot.

 

            Kinderogen zijn als gouden regen.

            Voorzichtig dragen ze de bekers wijn.

            Ik wil me te slapen leggen op publieke wegen,

            en geen soldaat meer zijn.

 

Klabunds tekst luidt als volgt:

 

            Der müde Soldat

 

            Ein kahles Mädchen. Heckenblassentlaubt.

            Sie steht am Weg. Ich gehe weit vorbei.

            So stehen alle: Reih an Reih,

            Und Haupt an Haupt.

 

            Was weiss ich noch von heiligen Gewässern

            Und von des Dorfes Abendrot?

            Ich bin gespickt mit tausend Messern

            Und müde von dem vielen Tod.

 

            Der Kinder Augen sind wie goldner Regen,

            In ihren Händen glüht die Schale Wein.

            Ich will mich unter Bäumen schlafen legen

            Und kein Soldat mehr sein.

 

Burssens’ bundel is gevarieerder dan die van Grauls. Naast de oorlog vormen wijn en liefde belangrijke thema’s. De dichter zelf maakte de omslagtekening: een groene fluitspeler op een geel fond. De bundel bevat achtentwintig verzen, waaronder dertien van Li Tai Po en zes van Tu Fu. Negen verzen gaan terug op Bethge, negentien op Klabund. Aan Bethge ontleende Burssens een credo voor een intens leven, dat een sterke overeenkomst vertoont met de filosofie van Omar Khayyam. De rijmloze, regelmatig ritmische verzen werden in Burssens bewerking springerige, onregelmatig rijmende regels van ongelijke lengte. De woordkeus werd aanzienlijk baldadiger dan in Bethges versie of in de bewerkingen daarvan door Schürmann en Swarth. De titel ‘Alte Weisheit’ veranderde Burssens in ‘Levenswijsheid’.

 

            Levenswijsheid

 

            Het menseleven is kort.

            De bomen mogen eeuwig waaien;

            de olifanten, de papegaaien

            leven lang. – De stam van de mensen is vort.

 

            Harop dan en ’t leven leven!

            Neemt jonge meisjes bij de borsten en juicht.

            Omkranst het hoofd met krysanten van goud,

            en zingt als de bij die honig zuigt.

            Laat je wijn en kussen schenken.

            Zit niet te vitten over ’t bestaan,

            nooit of nooit zal je verder kunnen gaan,

            waarom dan denken?

 

            Het beste is lachen, dansen en drinken,

            en snel in ’t graf te zinken.

 

Eerste receptie van de poëtische Chinamode

In Nederland gaven onder meer Herman van den Bergh, Constant van Wessem, Theo van Doesburg, Roel Houwink en H. Marsman rond 1920 blijk van hun affiniteit met expressionistische vernieuwingstendenzen. De vertalingen van Klabund spoorden goed met hun opvattingen. De vorm sprak aan, evenals het levensgevoel: levensaanvaarding, intensiteit, roes. Marsman liet er dan ook geen twijfel over bestaan dat hij Li Tai Po een groot dichter vond. In een ‘Divagatie’ over het veranderlijke van oordeel en smaak in de literatuur, verschenen in Den gulden winckel van 15 april 1922, schreef hij:

 

Niet éenen tel wordt mijn genoegen bedorven door ’t klaar vermoeden, dat de bloesems van Li-tai-po’s dansende dronkenschap [...] mogelijke Patagonische beschaving van een protoplasmatische wanstaltigheid zullen schijnen. [...] Li-tai-po dan (ik ken hem uit Bethge’s bewerking en uit een Insel-deeltje [= Klabund]) bezingt den wijn (zoo men zegt). Nauwkeurig: de wijn bezingt Li-tai-po. De wijn zwaait uit de vroolijkheid en uit de smart een lied. Een bloeiende, geurende verrukking, soms, een schaduwende duisternis. (Erich Wichman [...] maakte dan ook in negentienachttien een litho bij Das Trinklied vom Jammer der Erde, die wel eens heel mooi geweest is). Uit den wijn slaan de vervoeringen, de bloesems en het licht, en in den wijn vervloeien de kwellingen, de schimmen en het grauw. [...] Heel de walm van dit leven gaat in een dronk te loor. [...] Ik ben er, in veel ernst, van doordrongen, dat er in de liederen van dezen eeuwig-dronken Chinees evenveel van de onvergankelijk-vergankelijke schoonheid te vinden is, als in de Divina Commoedia.

Hierna citeerde hij een vers van de Chinese dichter in de vertaling van Klabund:

 

            Auf der Wiese

 

            Wir liegen im blühenden Schosse des Wiesenrains

            Und trinken eins und eins und immer noch eins.

            Wenn ich betrunken wie ein offnes Gatter im Winde schnarre:

            Geh nach Hause, hol mir die Gitarre!

            Und lass mich dann allein in meines Rausches Nachen:

            Ich will mit einem jungen Lied im Arm erwachen.

 

Het gedicht sprak ook anderen aan, getuige de vertalingen die Grauls en Jan H. Eekhout publiceerden in hun bundels Oostersche lyriek en Jaspis en jade (1929). Toch leken Marsmans ontboezemingen aanvankelijk wat alleen te staan. Zijn Vlaamse collega Paul van Ostaijen viel in Vlaamsche Arbeid van mei-juni 1925 op principiële gronden Klabund en Bethge af in een felle boutade tegen A.W. Grauls, wiens Oostersche lyriek het naast de China-mode zwaar moest ontgelden:

 

            Azië, Oost-Azië: hoe meer ge ermee vertrouwd geraakt, des te meer het u bevreemdt. Iemand die drie jaar zich met chinese literatuur bezig hield, zal niet zo gemakkelik er toe besluiten chinese lyriek te vertalen als de heer Grauls dit deed, na zijn kennismaking met de om te huilen slechte vertalingen van Klabund en de geheel geëuropaïseerde van Bethge. Ik weet wel: elke up-to-date cocotte spreekt courant over nephriet en jade, over netzuke, lak en zwaardsieraden en zelfs de meer provinciale demi-monde heeft dan toch nog een gipsen Boeddhaatje, uit dezelfde fabriek als de vroeger-geapprecieerde Dante-buste, op haar mechels empire-kommodeke. Maar iemand die Li-tai-pe wil vertalen, dichter en kenner in éen persoon, is niet een up-to-date cocotte. Of is een dichter dit wel en zijn werk de neerslag van de laatste veroveringen van halfgare kunsthandelaars, genre parfumeriezaak? – Van zulk vertaler mocht men ten minste verwachten dat hij, wanneer hij reeds het euvel niet uit het oorspronkelike te vertalen aanneemt, de bronnen van de door hem gebruikte vertalingen op hun geloofwaardigheid zou kontroleren. Mocht deze dichter-vertaler dan een zeer getrouwe, doch niet lyriese vertaling als basis tot lyriese omwerking nemen dan ware dit, bij de afstand, te aanvaarden. Maar vertalen uit een vertaling die zelve slechts een bewerking van een andere vertaling is, zulke handelwijze biedt veel overeenkomst met de liefde tot de aziatiese kunst van het provinciedametje met het gipsen Boeddhaatje uit Milaan. Ik weet dat men hierop het altruïstische antwoord “alles voor Vlaanderen” klaar heeft, d.w.z. de auteur verklaart: “in Vlaanderen was er nog geen vertaling van deze gedichten; om in deze leemte te voorzien heb ik ze vertaald naar een poëtiese bewerking van, laat ons het beste hopen, een vertaling uit het oorspronkelike.” Keert men deze altruïsties-getoonde verdediging om, dan luidt ze, minder altruïsties, als volgt: “Vlaanderen is een negerij en de kaffers die er wonen hebben geen ju besef van aziatiese lyriek. Met de vertaling van Klabund in de hand kom ik door het ganse land.” –

 

In de loop der volgende jaren kwamen er echter van verschillende kanten tekenen dat de Chinese poëzie voor meer jonge dichters de nodige aantrekkingskracht bezat. ‘[Bethges] vertalingen naar Chinese dichters gingen van hand tot hand; de studentenwereld was er vol van. [...] Ook Klabunds “Chinesische Nachdichtungen” uit 1916 speelden na de jaren twintig hier een rol; zijn “Kreidekreis”, van 1924, versterkte de hang naar “het Chinese” nog méér. De neo-chinoiserie zat ten onzent wel bijzonder in de lucht.’, merkte Herman van den Bergh terugblikkend op deze periode op.[v] In uiteenlopende tijdschriften verscheen een eerste vertalinkje, een besprekinkje, daarna nog een, daarna meerdere. Vanaf 1927 druppelde China Roeping, De gemeenschap, Nu, Groot-Nederland, De Gids, Opwaartsche wegen, De vrije bladen en andere tijdschriften binnen. In 1930 was het fenomeen een regelmatige verschijning geworden en waren inmiddels de nodige nieuwe bundelingen verschenen. Het uiterlijk van de bundels bevestigde, zoals we eerder bij Schürmann, Swarth, Grauls en Burssens zagen, het chinoiserie-aspect van de verzen.

Drie Nederlandse auteurs hielden zich uitgebreider dan hun generatiegenoten en voorgangers bezig met de Chinese poëzie: Jan H. Eekhout, J. Slauerhoff en Willem de Mérode. Aan de Chinese gedichten van de laatste twee werden afzonderlijke studies gewijd.[vi] Hieronder wordt de eerste als belangrijke maar inmiddels vergeten exponent van de Chinamode nader belicht. Zijn bundels en de receptie daarvan geven een goede indruk van de dichterlijke chinoiseriemode die in het interbellum woedde.

 

De Chinese gedichten van Jan H. Eekhout

De productieve dichter en prozaïst Jan H. Eekhout (1900-1978) had zich in diverse tijdschriften al doen kennen als vertaler van Chinese gedichten voordat in 1929 zijn bundel Jaspis en jade, ‘verzen naar Chineesche motieven’, verscheen, voorzien van een bandtekening waarop een pagode, een reiger en een Chinees met een gigantische druipsnor zijn te herkennen. Zijn bewerkingen naar Li Tai Po bundelde hij in 1930, flink aangevuld, opnieuw in Wijn, ‘verzen naar Li-tai-po’. J. Franken Pzn. vervaardigde de houtsnede voor het omslag, waarop de Chinese dichter met een rol papier in de linkerhand met de andere hand de wijnkelk heft. Het werk van Eekhout sluit duidelijker dan dat van Slauerhoff en De Mérode bij het inmiddels bekende aan. In beide bundels noemt hij zijn bronnen. Samengenomen zijn dat: Klabund, Bethge, de Chinese literatuurgeschiedenis van Grube en Chinese lyrics from the Book of Jade (1918) van James Whitall. De laatste maakte een Engelse bewerking van Le livre de jade van Judith Gautier en sloot daardoor in de keuze van de verzen nauw aan bij Bethge en Klabund. Evenals bij de Vlaamse expressionisten blijkt een duidelijke voorkeur voor Klabund en als gevolg daarvan een nadruk op de oorlogsverzen en op Li Tai Po. Voornaamste thema in de eerste bundel is de vergankelijkheid van geluk, liefde en leven. De meeste verzen hebben een pessimistische strekking. Slechts in enkele klinkt een wat optimistischere levensaanvaarding door. De verzen zijn inhoudelijk zeer verwant aan Eekhouts eerdere werk, waarin pessimisme en het gevoel door het leven te zijn misdeeld veelvuldig voorkomen. Dat hij zich niet kon vinden in Marsmans vitalistische verering voor Li Tai Po, spreekt duidelijk uit een kwatrijn uit de bundel Doodendansen (1929):

 

            Lees Li-tai-po. Ook hij verdronk zijn leed.

            Bedwelm u aan zijn woorden, en vergeet

            Den waanzin van dit eeuwenoud Bestaan,

            Den zotten Doodendans die leven heet.

 

Eekhouts vertalingen zijn zeer vrij, al suggereert de ondertitel ‘verzen naar Chineesche motieven’ een grotere vrijheid dan die hij zich gunt. Zijn voorbeelden blijven doorgaans herkenbaar in vorm, woordkeus, beelden, rijm en zinswendingen. Opvallend is dat hij vaak meer woorden gebruikt dan zijn voorbeeld, bijvoeglijke naamwoorden en beelden toevoegt en daarmee de pregnantie van vooral Klabunds verzen sterk verdunt. De gehanteerde vormen zijn divers, doordat Eekhout de ene keer vrij nauwkeurig zijn voorbeeld volgt en de andere keer een eigen vorm schept. Zo komen er vrij streng ritmische, rijmende en niet rijmende verzen voor, naast een soort heffingenverzen, vrije verzen en verzen waarin het ritme al dan niet opzettelijk ontspoort. Een en ander leidt tot de indruk dat Eekhout de Chinese verzen, anders dan Burssens, Slauerhoff, De Mérode en vele incidentele nadichters, niet vertaalde om het verstechnische experiment, maar in de eerste plaats omdat hij er verwante gedachten in herkende.

            Die indruk wordt bevestigd in enkele kritieken op de bundel. Roel Houwink schreef erover in Opwaartsche Wegen van december 1929. Hij signaleert in Eekhouts werk een ‘existentiëele vertwijfeling’, die ook al in Doodendansen aanwezig was. Houwink vergelijkt Klabund met Eekhout en constateert:

 

Klabund geeft, mogen wij aannemen, een getrouwe aesthetische weergave van Li-Tai-Po’s poëzie. Eekhout zou, al wilde hij het, daartoe niet in staat zijn. Voor Klabund was deze bewerking een spel, zij het een nobel en buitengemeen schoon; hij droeg in argeloosheid dit chineesch masker. Het had hem geboeid door zijn schoonheid en het liet hem niet los, eer hij zich haar ten eigen had gemaakt. Eekhout echter werd tot deze verzen, dunkt ons, gedreven door een ander verlangen. Hij moet er op een oogenblik plotseling zijn masker in hebben herkend. Niet hun schoonheid moet hem vóór alles hebben bekoord, maar datgene, waaruit deze schoonheid voortgekomen was en waaruit hij ook zijn eigen schamele schoonheid voortgekomen wist: de strijd van de ziel met de eindigheid.

 

Marsman besprak de bundel in de NRC van 26 oktober 1929 en bleek, evenals eerder Van Ostaijen, principiële bezwaren te hebben, al zijn die van andere aard.

 

Voor zoover ik kon nagaan, kennen slechts enkele Engelsche bewerkers der nu langzamerhand overbekende Chineesche lyriek, Chineesch. Bethge schijnt het niet te kennen, Klabund niet, Slauerhoff niet, Eekhout niet. Ik vraag mij af, waarom dan een voorloopig niet zeer belangrijk dichter als Eekhout het noodig vindt zijn bewerkingen naast die van Klabund b.v. te publiceeren. Hij zal toch zonder veel moeite kunnen inzien, dat die beter zijn. Maar al reeds op zichzelf lijkt mij deze bezigheid iets zonderlings; wat doen de menschen, die het origineel evenmin kennen als ik, anders dan bewerkingen mengen en kleuren met een scheut persoonlijk elixir? [...] De bewerkingen die Eekhout hier geeft, zijn niet slecht in het algemeen. Soms wel, dikwijls echter behoorlijk, een enkele maal werkelijk goed. Maar het had volstrekt geen zin ze, na Klabund, te publiceeren. Ze zijn niet alleen niet zoo knap en vitaal, en fijn, ze zijn vooral slechts zeer zelden wat men met recht of daar zonder Chineesch noemt. [...] Ik vermoed, dat Eekhout deze verzen geschreven heeft als een oefening, en een poging om althans met iets vaste verwantschap te krijgen.

 

Wijn, Eekhouts tweede bundel Chinese verzen, geheel gewijd aan Li Tai Po, bevat de negen verzen van de dichter die eerder in Jaspis en jade verschenen. Daaraan voegde hij er twintig toe. Hij nam ook een lofdicht van Tu Fu op en schreef een ‘Toelichting’. Het geheel maakt een aanzienlijk levenslustiger indruk dan de eerste bundel. De ‘Toelichting’ geeft een met vaart geschreven korte impressie van het leven van de Chinese dichter, geïnspireerd op het nawoord uit Klabunds bundel.

 

           China’s twijfelloos grootste Dichter, Li-Tai-Po, leefde tijdens de roemruchtige Thang-dynastie (8e eeuw na Chr.)

                        Na een geweldig wijnfestijn dicteert Li-Tai-Po den Keizer, Ming-Huang-Ti, zijn onsterfelijke drinkliederen en aandachtig penseelt de gele Heerscher de heerlijkste karakters neer.

                        Plotseling heeft Li-Tai-Po genoeg van het keizerlijk paleis en slaat aan het vagabondeeren, gehuld in ’s Keizers kostbaarsten mantel. Hij drinkt zich roes op roes – want, ach, alles gaat henen, en er is geen keer! –, houdt rebellische toespraken in de herbergen en laat zich er huldigen als Zoon-des-Hemels.

                        Op een eenzame nachtelijke bootvaart, sterft hij, vol wijns, den verdrinkingsdood. Maar de eeuwen blijven doorzongen van zijn lied.

                        Zijn volk echter, dat hem verafgoodde, zegt van hem, dat hij niet verdronk, doch gered werd door een dolfijn, die met hem is opgestegen naar de eeuwige wolken, waar hem, vol ongeduld, de Onsterfelijken verbeidden.

 

De namen der grote drinkers leven voort: ‘Tschau-Tschi was een treffelijk Dichter: hij heeft prachtig gezopen.’ dicht Eekhout na, en: ‘’k Bied u mijn schoeisel, Heer Waard, – nòg meer wil ik zuipen. / ’t Is mij glad onverschillig of ik na mijn bedrijf / op handen en voeten naar huis moet kruipen / of voor eeuwig hier liggen blijf.’ Maar naast de drinkliederen neemt Eekhout beschouwelijker werk op, zoals een van Li Tai Po’s beroemdste verzen:

 

            Ontwaken

 

            ’k Ontwaak, verwonderd en verblind,

            op een vreemd bed.

            Heeft dezen nacht een rijp zoo hel en koel

            zich op de ruit gezet?

            Ik hef het hoofd..., kijk in de stralende maan.

            Buig het hoofd..., denk aan m’n zwerversdoel.[vii]

 

De bundel van Eekhout inspireerde de Vlaamse, als modern katholiek dichter gereputeerde Marnix Gijsen tot een interessante recensie. Evenals Marsman en Houwink blijkt hij goed op de hoogte over de vertaalde Chinese poëzie:

 

Er bestaat geen vrees dat de Nederlanders in de tovertuin der Chinese poëzie zouden verloren lopen. We bezitten inderdaad reeds een drietal gidsen. Hélène Swarth, die zich, met alle eerbied, in De Chinese fluit (circa 1920) een knappe oude tante betoonde, A.W. Grauls die in 1919 Oosterse lyriek uitgaf en Gaston Burssens die in ’t zelfde jaar een uitstekend boek De jadefluit bezorgde. Nu dient zich ook nog Jan H. Eekhout aan met een bundel bewerkingen naar de Chinese dichter Li-tai-po. Deze gidsen, alle vier, zijn vertegenwoordigers van het Duitse reisgezelschap Hans Bethge en Klabund, dat tot heden het reisplan van de Oosterse Helicon in monopolie bezit. De voortreffelijke Chinesische Flöte van Hans Bethge en de Li-tai-po van Klabund zijn het onvermijdelijk model van de Nederlandse bewerkers.

 

Over de belangstelling voor de oosterse lyriek merkt Gijsen op:

 

Dat in de eerste plaats het exotisme in de waardering en de buitengewone populariteit van de Oostersche dichtkunst (vier bewerkers in twaalf jaar) een rol speelt, hoeft niet betoogd. Het is inderdaad heel wat anders een kopje thee te drinken ‘in einer kleinen Konditorei’ dan wel in ‘een paviljoen van porselein’. De vlucht uit onszelf, de roekeloze desertie van het eigen midden, het verbreken van het sociale kader voor de bevrijding en het behoud van het eigen wezen, is steeds best gediend geweest met de kleurige attributen van een beschaving die wij slechts sedert korte tijd kennen en waarderen. Wie neemt in zijn jeugd de boot naar China niet? In de toegepaste kunst heeft het Verre Oosten reeds lang zijn rol vervuld: de binnenhuiskunst der 18e eeuw onderging door de invoer van Oosterse meubelen en luxe-voorwerpen een werkelijke revolutie die u elk museum duidelijk maakt. Nog steeds ondergaan onze salonzetels de torturen door de mandarijnen opgelegd aan de Franse stijlen die voor een deel het slachtoffer der chinoiseries en der japonaiseries waren. En hoeveel Hollandse binnenhuizen prijken nog met het would-be Oosters porselein uit Delft?

 

Gijsen constateert een verschil tussen het westerse en het oosterse drinkgedicht. Het westerse ‘is meestal burgerlijk en onwijsgerig’. ‘Li-tai-po daarentegen beschouwt de dronkenschap als de enige redding uit zijn zwaarmoedigheid. Het Westerse drinklied bereikt enkel het gehemelte, de Oosterse lof van de wijn gaat langs de ontstelde maag naar de geest. Li-tai-po drinkt als een wijsgeer, de Westerling drinkt als een zwijn [...]’. Naast de wijn ziet Gijsen als tweede hoofdmotief in de Chinese dichtkunst ‘de haat tegen de oorlogsvloek’. Op grond van schaarse gegevens – Li Tai Po ziet de oorlog als laatste redmiddel om het leven te zuiveren en heeft een hard oordeel over vrouwen – komt Gijsen er zelfs toe de Chinese dichter een geestverwant van Nietzsche te noemen. Als het op een beoordeling van het werk van Eekhout aankomt, prefereert Gijsen de bewerkingen van Burssens.

            Een ander opmerkelijk geluid in de kritiek op Wijn kwam van collega-dichter Leo van Breen. ‘Dit werk (voortreffelik uitgegeven) bevat bewerkingen van gedichten van de grote Chinese dichter Li Tai Po, die, wat het bezingen van “Wein, Weib und Gesang” betreft, de beroemde Omar Khayyam naar de kroon steekt.’ Van Breen oordeelt: ‘Minder geslaagd, maar misschien ben ik te subjectief in mijn oordeel. In ieder geval mag het benijdenswaardig heten, wanneer men zich in een tijd van zwaarwegende problemen als de onze, met hart en ziel kan overgeven aan de liederen van deze Chinese epicurist.’

 

Besluit

De Chinese epicurist Li Tai Po bleef lang de bekendste en meest gewaardeerde Chinese dichter. Slauerhoff maakte in de jaren dertig Po Tsju I (Bai Juyi, 772-846) bekend, maar die had hij gevonden in de voortreffelijke Engelse vertalingen van Arthur Waley. Hoewel Slauerhoff wel enkele bewerkte ‘Chinese’ soldatengedichten van Klabund bundelde in Yoeng poe tsjoeng (1930), hield hij zich naar het zich laat aanzien welbewust verre van Li Tai Po en Bethge, die hij beiden terdege kende maar waartegen hij zich als ‘anti-chinoiserist’ afzette. Hij publiceerde slechts één vertaling van Li Tai Po.[viii] In zijn nalatenschap werden nog twee vertaalde gedichten van Li Tai Po aangetroffen, waaronder het tijdens de Europese Chinarage meest vertaalde vers: ‘Alleen drinkend bij het licht van de maan’, een uitbundig drinklied van veertien regels, dat hij tot de eerste vier regels reduceerde:[ix]

 

‘k Verkeer in weelde tusschen de bloemen met wijn,

Maar ook in armoe: drinkend zonder vriend.

De opkomende maan, mij zoo verlaten ziend,

Wekt mijn schaduw, zoodat we met zijn drieën zijn.

 

Met zijn drieën: de maan, de drinker en zijn schaduw – de Chinese dichter, de sinoloog-vertaler en de dichter-bewerker. Een aardig beeld voor de manier waarop de Chinese poëzie dankzij ‘tweedehandsvertalingen’ in Nederland doordrong. Het zou nog bijna een halve eeuw duren voordat de sinoloog W.L. Idema eindelijk serieus werk maakte van de vertaling van Chinese poëzie. Intussen druppelden de chinoiserie-vertalingen gestaag door.

 

 

terug naar inhoudsopgave nummer 41



[i] Behalve Swarth vertaalden Gaston Burssens, Albert Rijckmans, G.L. Tichelman, Willem Brandt en J.B. Charles het vers. Slauerhoff  liet zich door Bethges vertalingen inspireren tot een tegenvorm van het gedicht die het sluitstuk vormt van zijn verhaal ‘Het lente-eiland’ (zie A. Pos, ‘(Anti)chinoiserie, drie verboden rijken en het landschap van de dood. Aantekeningen over Slauerhoffs China’, in Armada 19 (juli 2000), p. 48-51).

[ii] In Nederland publiceerden bekende dichters als J.H. Leopold, P.C. Boutens en Willem de Mérode hele bundels Khayyam-vertalingen. Veel andere dichters publiceerden vertalingen van enkele verzen en de oosterse kwatrijnvorm vond brede navolging. Zie M. Goud & A. Seyed-Gohrab (Ed.), De Perzische muze in de polder. De receptie van Perzische poëzie in de Nederlandse literatuur. Amsterdam: Rozenberg Publishers, 2006.

[iii] Vgl. ‘Heer der grenzen’ in W.L. Idema, Spiegel van de klassieke Chinese poëzie van het Boek der Oden tot de Qing-dynastie, Amsterdam: Meulenhoff 1991, p. 40.

[iv] Later maakten Jan H. Eekhout, J. Slauerhoff, Theun de Vries, Gerard den Brabander en J.L. de Belder vertalingen van ‘Der müde Soldat’ (zie A.Pos, Cheng Shaogang & N. Scheltens-Boerma, Dronken in de lente. De Chinese gedichten van J. Slauerhoff. Leiden: Brabinsk, 1993, pp. 21-23 en 128-129).

[v] H. van den Bergh, Schip achter het boegbeeld. Over het werk van J. Slauerhoff. Utrecht: Reflex 1979, p. 107.

[vi] Over Slauerhoff het reeds geciteerde Dronken in de lente; over De Mérode: W. de Mérode, Chinese gedichten. Ingeleid en toegelicht door Hans Werkman. Kampen: Kok 1979.

[vii] Het is het meest vertaalde Chinese gedicht in het Nederlands en het enige dat zowel bij via-via-bewerkers als sinologen de status van klassiek verwierf. Het werd eerder vertaald door Schürmann, Burssens en Swarth en na Eekhout door P.J. van Renssen (1935), J.A. Rispens (1940), *W.J. Schotman (1941), Albert Rijckmans (1942), *Bert Teunis (1943), de anonieme dichter van Chinese poëmen (1958), Willem Brandt (1959), *Jef Last (1962), Willem Hussem (1971), *W.L. Idema (1984), *Daan Bronkhorst (1985) en Frank Daen (1986). Zestien vertalingen in zeventig jaar, waaronder vijf ( gemarkeerd met *) rechtstreeks uit het Chinees.

[viii] ‘Vergankelijkheid’ in Elsevier’s geïllustreerd maandschrift van februari 1935, zie Dronken in de lente, p. 56 en 135.

[ix] Er bestaan tien Nederlandse vertalingen van het gedicht. Zie Dronken in de lente, pp. 58-61 en 135-136 en Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, pp. 294-296.